VEEL GESTELDE VRAGEN

ALGEMENE VRAGEN

1. Wat is de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering?
2. Wat waren de Hoge Raad voor het Herstelbeleid en de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid?
3. Wat zijn de opdrachten van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering?

 

VRAGEN I.V.M. DE HERSTELVORDERING

ALGEMENE VRAGEN

4. Wat is een herstelvordering en herstelmaatregel?
5. Wie kan een herstelvordering voorleggen aan de Raad voor advies?
6. Bestaat er zoiets als een gezamenlijke herstelvordering?
7. Wat is de rol van de Raad bij herstelvorderingen? 
8. Kan de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester voorbijgaan aan het advies van de Raad of er geen rekening mee houden?
9. Wat als de Raad negatief advies verleent?
10. Wat als de Raad geen advies verleent binnen de voorziene termijn?
11. Wat als een "oude" herstelvordering werd ingediend bij het parket of de burgerlijke rechtbank vóór 16 december 2005? 
12. Houdt de Raad rekening met de eventuele verjaring van de herstelvordering en de strafvordering?
13. Wat is een opeenvolgende herstelvordering? 
 

BEOORDELINGSKADER
HET ONDERZOEK DOOR DE RAAD NAAR DE RUIMTELIJKE WEERSLAG: DE DRIEVOUDIGE TOETS

14. Wat houdt het onderzoek naar de ruimtelijke weerslag in?
15. Wat houdt de drievoudige toets in?
16. Wat is de zogenaamde “referentietoets”?
17. Betekent het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’ hetzelfde als bij de vergunningverlening?
18. Aan de hand van welke beginselen wordt de referentietoets gemaakt?
19. Hoe gebeurt de referentietoets door de Raad concreet?
20. Houdt de Raad rekening met een recente beoordeling van de goede ruimtelijke ordening door de vergunningverlenende overheid?
21. Houdt de Raad rekening met een uitdrukkelijke voorwaarde opgelegd door de vergunningverlenende overheid?
22. Houdt de Raad rekening met gedetailleerde voorschriften vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan, een bijzonder plan van aanleg, een verkaveling of een stedenbouwkundige verordening en volstaat de schending ervan om aan te tonen dat de inbreuk de plaatselijke ordening op kennelijk onevenredige wijze schaadt?
23. Houdt de Raad rekening met de vaststaande toekomstige goede ruimtelijke ordening?
24. Houdt de Raad rekening met gelijkaardige inbreuken binnen de onmiddellijke omgeving van de kwestieuze illegale handeling?
25. Met welke aspecten houdt de Raad rekening bij het onderzoek naar de weerslag op de rechten van derden en belanghebbenden?
 

HET ONDERZOEK DOOR DE RAAD OVER DE KEUZE VAN DE HERSTELMAATREGEL

26. Welke herstelmaatregel kan door het bestuur gevorderd worden?
27. Kan er gekozen worden voor een combinatie van herstelmaatregelen?
28. Kan de bevoegde overheid de keuze voor de ene of andere herstelmaatregel aan de Raad overlaten?
29. Kan de bevoegde overheid aan de Raad vragen dat de betrokkene een regularisatievergunning zou aanvragen?
30. In het geval de meerwaarde de principieel te vorderen herstelmaatregel is, is een andere herstelmaatregel toch mogelijk indien blijkt dat de plaatselijke ordening kennelijk op onevenredige wijze wordt geschaad. Wat beschouwt de Raad als “kennelijk”?
31. Speelt de doorbreking van het stakingsbevel nog een rol bij de rangorde van de herstelmaatregelen? 
32. Speelt het nog een rol of de geviseerde handeling is verricht in strijd met de bestemmingsvoorschriften?
33. Speelt het een rol of de plaatselijke ordening kennelijk op evenredige wijze wordt geschaad door de geviseerde handeling?
34. En hoe zit het met stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften die bepalend zijn voor de beoordeling van de ruimtelijke ordening en geen verdere ruimte voor enige beoordeling overlaten?

 

HET TIJDSVERLOOP: AANVULLENDE BELEIDSCRITERIA VOOR DE RAAD

35. Speelt het tijdsverloop een rol bij de adviesverlening over herstelvorderingen?
36. Wat beschouwt de Raad als “recent” en “niet recent”?
37. Wat zijn niet-geconsolideerde, niet-recente overtredingen?
38. Wat zijn geconsolideerde, niet-recente overtredingen en met welke handelingen gericht op een handhavend optreden houdt de Raad zoal rekening?
39. Volstaat het geïsoleerd verrichten van één enkele handeling om te besluiten dat er sprake is van een geconsolideerde overtreding?
40. Wat zijn wederrechtelijke toestanden met een voortschrijdend karakter?
41. Wordt het tijdsverloop als een absolute maatstaf gehanteerd?
 

ADVIESPROCEDURE

VANUIT HET OOGPUNT VAN HET BESTUUR

42. Hoe wordt een adviesaanvraag aan de Raad gericht?
43. Op welk adres moet de adviesaanvraag worden toegestuurd?
44. Binnen welke termijn moet de Raad advies verlenen?
45. Welke elementen moet de adviesaanvraag minstens bevatten om ontvankelijk te zijn?
46. Wat is de vereiste minimale inhoud van het informatiedossier bij een adviesaanvraag over een herstelvordering?
47. Wat is de vereiste minimale inhoud van het informatiedossier bij een adviesaanvraag over een opeenvolgende herstelvordering?
48. Hebben de besturen inspraak in de samenstelling van het informatiedossier?
49. Op welke manieren moeten stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad worden bezorgd?
50. Moeten stukken, gegevens of inlichtingen die op een elektronische vindplaats beschikbaar zijn via een postzending op papieren drager worden bezorgd?
51.  Mijn bestuur krijgt een aangetekende brief van de Raad met de vraag om met toepassing van artikel 21 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad het informatiedossier te vervolledigen met welbepaalde stukken, gegevens of inlichtingen. Wat is dit en wat moet mijn bestuur doen?
52. Mijn bestuur stuurt op vraag van de Raad stukken na ter regularisatie van het dossier, maar buiten de termijn van 8 dagen bedoeld in artikel 21, tweede lid van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad. Wat is de sanctie?
53.  Mijn bestuur krijgt een e-mail of een aangetekende brief met de vraag om met toepassing van artikel 10, § 3 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad het informatiedossier te vervolledigen met welbepaalde stukken, gegevens of inlichtingen. Wat is dit en wat moet mijn bestuur doen?
54. Hoe stuurt mijn bestuur de gevraagde stukken op?
55. Kan mijn bestuur naderhand uit eigen beweging nog bijkomende stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad bezorgen?
56. Mijn bestuur dient een opeenvolgende herstelvordering in. Moet mijn bestuur opnieuw alle stukken bezorgen?
57. Hangende de adviesaanvraag bij de Raad werd vrijwillig herstel geboden. Kan mijn bestuur de herstelvordering intrekken en zo ja, hoe dient dit te gebeuren?
58. Kan mijn bestuur schriftelijk reageren op een gemotiveerde nota?
59. Ik wil voor mijn bestuur de vergadering van de Raad bijwonen om stemadvies te verlenen. Wat doe ik daarvoor?
60. Hoe verloopt de vergadering van de Raad?
61. Het dossier werd geseponeerd door het Openbaar Ministerie zonder dat de door de Raad positief geadviseerde herstelvordering werd ingediend bij het Openbaar Ministerie. Moet mijn bestuur opnieuw advies inwinnen indien zij de herstelvordering via burgerrechtelijke weg wenst in te leiden?

 

VANUIT HET OOGPUNT VAN DE BURGER: HET SCHRIFTELIJK HOREN

62. Kan ik worden gehoord door de Raad?

 

63. Ik krijg een uitnodiging om een gemotiveerde nota in te dienen in het kader van het schriftelijk horen. Wat is dat?

 

64. Hoe kan ik mijn argumenten schriftelijk meedelen? Hoe dien ik een gemotiveerde nota in het kader van het schriftelijk horen in?

 

 

65. Kan ik mij laten vertegenwoordigen door een raadsman voor het indienen van mijn gemotiveerde nota in het kader van het schriftelijk horen en moet er dan een schriftelijke volmacht worden voorgelegd?

 

 

66. Ik krijg een brief van de Raad met de vraag om het bewijs van beveiligde zending aan het aangewezen bestuur te bezorgen. Wat is dit?
67. Mag ik het bewijs van beveiligde zending aan het aangewezen bestuur achteraf opsturen en mag dit ook per e-mail of per fax?
 
68. Kan ik voorafgaand aan het indienen van mijn nota het dossier komen inzien en zo ja, in welke stukken heb ik inzage en kan ik desgevallend een kopie hiervan bekomen?
69. Hoe wordt de termijn van 8 dagen berekend?
70. Wat als ik door omstandigheden mijn gemotiveerde nota niet binnen de termijn van 8 dagen kan indienen?
71. Kan ik de Raad om uitstel vragen m.b.t. het indienen van mijn gemotiveerde nota?
72. Met welke argumenten uiteengezet in een gemotiveerde nota kan de Raad geen rekening houden?
73. Kan ik een verlenging vragen van de gevorderde hersteltermijn?
74. Kan ik mondeling mijn argumenten toelichten op de vergadering van de Raad?
75. Mag ik zelf aanwezig zijn op de vergadering van de Raad?
76. Ik kreeg de mogelijkheid om schriftelijk te worden gehoord. Verneem ik daarna nog iets?
77. Ik wil dat het advies wordt betekend aan mijn raadsman. Wat moet ik hiervoor doen?
78. Het advies van de Raad is negatief. Wat nu?
79. Het advies van de Raad is positief. Wat nu?
80. Kan ik beroep aantekenen tegen het advies van de Raad?

 

VRAGEN I.V.M. DE GEMOTIVEERDE VERZOEKEN TOT HEROVERWEGING

ALGEMENE VRAGEN

81. Wat houdt een gemotiveerd verzoek tot heroverweging in?
82 Kan de overtreder een gemotiveerd verzoek tot heroverweging indienen bij de Raad?
83. Is een heroverweging van een niet-eensluidend advies mogelijk?
84. Kan het betrokken bestuur, in geval van een eerder niet-eensluidend advies, een nieuwe adviesaanvraag indienen?
85. Is er nog steeds sprake van een gemotiveerd verzoek tot heroverweging indien het betrokken bestuur na een eerder negatief advies kiest voor een andere herstelmaatregel en/of de herstelmaatregel (deels) ent op andere feiten?
86. Binnen welke termijn moet de Raad zich uitspreken over een gemotiveerd verzoek tot heroverweging?

 

BEOORDELINGSKADER

Zie beoordelingskader herstelvordering (vragen 14 t.e.m. 41)

 

ADVIESPROCEDURE

VANUIT HET OOGPUNT VAN DE BEVOEGDE OVERHEID

87. Hoe wordt een gemotiveerd verzoek tot heroverweging aan de Raad gericht?
88. Binnen welke termijn moet de Raad advies verlenen?
89. Moet mijn bestuur opnieuw alle stukken bezorgen die eertijds werden bezorgd?
90. Op welke manier moeten stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad worden bezorgd?
91. Moeten stukken, gegevens of inlichtingen die op een elektronische vindplaats beschikbaar zijn, via een postzending op papieren dragen worden bezorgd?
92. Hoe stuurt mijn bestuur de gevraagde stukken op?
93. Kan mijn bestuur naderhand uit eigen beweging nog bijkomende inlichtingen, gegevens of stukken aan de Raad bezorgen?
94. Kan mijn bestuur schriftelijk reageren op een gemotiveerde nota?
95. Ik wil voor mijn bestuur de vergadering van de Raad bijwonen om stemadvies te verlenen. Wat doe ik daarvoor?
96. Hoe verloopt de vergadering van de Raad?

 

VANUIT HET OOGPUNT VAN DE DERDE BELANGHEBBENDE DIE EEN GEMOTIVEERD VERZOEK TOT HEROVERWEGING WENST IN TE DIENEN

97. Hoe wordt een gemotiveerd verzoek tot heroverweging aan de Raad gericht?
98. Binnen welke termijn moet de Raad advies verlenen?
99. Op welke manier moeten stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad worden bezorgd?
100. Moeten stukken, gegevens of inlichtingen die op een elektronische vindplaats beschikbaar zijn, via een postzending op papieren drager worden bezorgd?
101. Kan ik naderhand uit eigen beweging nog bijkomende inlichtingen, gegevens of stukken aan de Raad bezorgen?
102. Kan ik schriftelijk reageren op een gemotiveerde nota?
103. Kan ik mondeling mijn argumenten toelichten op de vergadering van de Raad?
104. Mag ik zelf aanwezig zijn op de vergadering van de Raad?

 

VANUIT HET OOGPUNT VAN DE BURGER: HET SCHRIFTELIJK HOREN

Zie procedure herstelvordering (vragen 62 t.e.m. 80)

 

VRAGEN I.V.M. DE AMBTSHALVE UITVOERING VAN EEN GERECHTELIJKE HERSTELMAATREGEL

ALGEMENE VRAGEN

105. Wat is een ambtshalve uitvoering?
106. Wie kan een adviesaanvraag over het opstarten van een ambtshalve uitvoering voorleggen aan de Raad voor advies?
107. Wat is de rol van de Raad m.b.t. de ambtshalve uitvoering?
108. Kan de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester voorbijgaan aan het advies van de Raad of er geen rekening mee houden?
109. Wat als de Raad negatief advies verleent?

 

BEOORDELINGSKADER

110. Wat is het beoordelingskader van de Raad bij adviesaanvragen betreffende de ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke herstelmaatregel?

 

ADVIESPROCEDURE

VANUIT HET OOGPUNT VAN HET BESTUUR

111. Hoe wordt een adviesaanvraag aan de Raad gericht?
112. Binnen welke termijn moet de Raad advies verlenen?
113. Welke elementen moet de adviesaanvraag minstens bevatten om ontvankelijk te zijn?
114. Wat is de vereiste minimale inhoud van het informatiedossier bij een adviesaanvraag over het ambtshalve uitvoeren van een herstelmaatregel
115. Moet mijn bestuur opnieuw alle stukken bezorgen die destijds werden bezorgd in het kader van een adviesaanvraag over een herstelvordering?
116. Hebben de besturen inspraak in de samenstelling van het informatiedossier?
117. Op welke manier moeten stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad worden bezorgd?
118. Moeten stukken, gegevens of inlichtingen die op een elektronische vindplaats beschikbaar zijn, via een postzending op papieren drager worden bezorgd?
119. Mijn bestuur krijgt een aangetekende brief van de Raad met de vraag om met toepassing van artikel 21 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad het informatiedossier te vervolledigen met welbepaalde stukken, gegevens of inlichtingen. Wat is dit?
120. Mijn bestuur krijgt een e-mail of een aangetekende brief met de vraag om met toepassing van artikel 10, § 3 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad het informatiedossier te vervolledigen met bepaalde stukken, gegevens of inlichtingen. Wat is dit en wat moet mijn bestuur doen?
121. Hoe stuurt mijn bestuur de gevraagde stukken op?
122. Kan mijn bestuur naderhand uit eigen beweging nog bijkomende inlichtingen, gegevens of stukken aan de Raad bezorgen?
123. Kan mijn bestuur schriftelijk reageren op een gemotiveerde nota?
124. Ik wil voor mijn bestuur de vergadering van de Raad bijwonen om stemadvies te verlenen. Wat doe ik daarvoor?
125. Hoe verloopt de vergadering van de Raad?

 

VANUIT HET OOGPUNT VAN DE BURGER: HET SCHRIFTELIJK HOREN

Zie procedure herstelvordering (vragen 62 t.e.m. 80)

 

VRAGEN I.V.M. DE BEMIDDELING

ALGEMENE VRAGEN

126. Wanneer kan bemiddeling door de Raad gebeuren?
127. Wat houdt de bemiddeling in en volgens welke principes verloopt de bemiddeling?
128. Hoe start een vrijwillige bemiddeling?
129. Kan het deelnemen aan een vrijwillige bemiddeling die niet tot oplossing leidt later voor mij nadelig zijn?
130. Zijn er kosten verbonden aan een bemiddelingsproces?
131. Treedt de bemiddelaar op als deskundige?
132. Wanneer neemt een vrijwillige bemiddeling een einde?
133. Wanneer neemt een gerechtelijke bemiddeling een einde?
134. Schorst een aanvraag tot vrijwillige bemiddeling de verjaring van de herstelvordering en van het recht een bestuurlijke maatregel op te leggen, dan wel van het recht op  uitvoeren van de definitieve rechterlijke herstelmaatregel?

 

PROCEDURE

VRIJWILLIGE BEMIDDELING

VANUIT HET OOGPUNT VAN DE OVERTREDER DIE EEN BEMIDDELINGSAANVRAAG WENST IN TE DIENEN

135. Wanneer kan ik een bemiddelingsaanvraag indienen?
136. Aan welke ontvankelijkheidsvereisten is mijn aanvraag onderworpen?
137. Kan ik mij laten vertegenwoordigen door een raadsman voor het indienen van mijn aanvraag en moet er dan een schriftelijke volmacht worden overgelegd?
138. Word ik in kennis gesteld van de al dan niet inaanmerkingneming van mijn verzoek?
139. Wanneer neemt de bemiddelingspoging een einde en word ik hiervan in kennis gesteld?

 

GERECHTELIJKE BEMIDDELING

140. Wanneer kan de rechter een bemiddelingspoging bevelen?
141. Binnen welke termijn moet de Raad de bemiddeling bevolen door de rechter beëindigen? Kan deze termijn worden verlengd?
142. Wanneer neemt de bemiddeling een einde?
143. Word ik in kennis gesteld van de afloop van de bemiddelingsopdracht?

 

VRAGEN I.V.M. DE DWANGSOMVERZOEKEN

ALGEMENE VRAGEN

144. Wat is een dwangsom?
145. Wat is de rol van de Raad m.b.t. dwangsomverzoeken?

BEOORDELINGSKADER VAN DE HOGE RAAD

146. Wat is het beoordelingskader van de Hoge Raad inzake dwangsommen?

 

Een begrippenlijst vindt u hier. 

 

 


 

 

 

 

ALGEMENE VRAGEN

1. Wat is de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering? 

De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering (hierna: "de Raad") is een orgaan van actief bestuur opgericht bij het Vlaamse Ministerie van Omgeving. 

 

Als orgaan van actief bestuur is de Raad gebonden door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, bv. de bestuurlijke plicht tot onpartijdigheid en de plicht tot een zorgvuldige feitenvinding.

 

De Raad is een aparte entiteit en een onafhankelijk orgaan. De Raad is dus geen rechtbank en maakt geen deel uit van het Openbaar Ministerie. De Raad staat ook organisatorisch los van de stedenbouwkundige inspectie.

 

De Raad verleent verschillende adviezen (hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 3). Die adviezen gaan over (vermeende) stedenbouwkundige misdrijven of -inbreuken. De adviezen van de Raad steunen op het recht en op de weerslag van de illegale handelingen op de plaatselijke ordening en op de rechten van derden.

 

Terug naar boven 

 

2. Wat waren de Hoge Raad voor het Herstelbeleid en de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid? 

Van 16 december 2005 tot en met 31 augustus 2009 bestond de Hoge Raad voor het Herstelbeleid.


 Van 1 september 2009 tot 28 februari 2018 bestond de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid. Deze nam de toen bestaande opdrachten van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid over en kreeg een aantal bijkomende opdrachten.

 

Sinds 1 maart 2018 volgt de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid op. De bestaande opdrachten van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid werden (grotendeels) overgenomen en er zijn ook een aantal bijkomende opdrachten.

 

Terug naar boven

 

3. Wat zijn de opdrachten van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering?

(artikelen 6.3.10 tot en met 6.3.12/2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Tot de huidige opdrachten van de Raad behoren:
 
1. advies verlenen aan de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester, dit zijn de bevoegde overheden, over de herstelvordering die zij wensen in te leiden bij het Openbaar Ministerie of de burgerlijke rechtbank;
2. advies verlenen aan de betrokken, bevoegde overheid of een derde-belanghebbende over het gemotiveerd verzoek tot heroverweging tegen de afgifte van een negatief advies;
3. advies verlenen aan de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester over een opeenvolgende herstelvordering;
4. advies verlenen aan de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester vooraleer een ambtshalve uitvoering van een door de rechter bevolen herstelmaatregel kan worden opgestart;
5. advies verlenen aan de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester voorafgaand aan sommige betekeningen van vonnissen of arresten waarin de rechter het bestuur heeft gemachtigd om ambtshalve in de uitvoering ervan te voorzien;
6. advies verlenen aan de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen over het gemotiveerd verzoek om tijdelijk of definitief af te zien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld;
7. advies verlenen aan de Vlaamse Regering over de herstelmaatregelen in het kader van een beroep ingesteld door de vermoedelijke overtreder tegen de beslissing tot toepassing van bestuursdwang of tot het opleggen van een last onder dwangsom;
8. bemiddelen op verzoek van een vermoedelijke overtreder of de rechtbank.

 

Terug naar boven
 

VRAGEN I.V.M. DE HERSTELVORDERING 

ALGEMENE VRAGEN

4. Wat is een herstelvordering en herstelmaatregel?

Een herstelvordering is een vordering om een einde te stellen aan de gevolgen van de bouwovertreding. Met een herstelvordering wordt aan de rechter gevraagd dat een herstelmaatregel wordt opgelegd. Een herstelmaatregel heeft een curatief karakter en strekt ertoe de schade aan de ruimtelijke ordening veroorzaakt door de bouwinbreuk te herstellen. Volgende herstelmaatregelen kunnen onderscheiden worden:

 

- het herstel in de oorspronkelijke toestand. Dit houdt bv. in dat een zonder stedenbouwkundige vergunning opgericht constructie moet worden afgebroken.

- de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken. Zo kan bv. worden gevraagd dat op een perceel grond streekeigen groen wordt aangeplant of dat een constructie die werd opgericht in strijd met een verleende stedenbouwkundige vergunning wordt teruggebracht naar de vergunde toestand.

- de staking van het strijdige gebruik. Wanneer bv. een loods als woning wordt gebruikt of een weekendverblijf permanent wordt bewoond, houdt de staking van het strijdig gebruik in dat de loods niet langer als woning en het weekendverblijf niet langer voor permanente bewoning mag worden gebruikt.

- de betaling van een meerwaarde. Dit betekent dat de vermogensvermeerdering als gevolg van de bouwovertreding wordt teruggevorderd van wie zich ten onrechte heeft verrijkt. De onwettige constructie moet dan niet worden afgebroken maar wordt gedoogd na betaling van een meerwaarde. Daarmee is de onwettige constructie nog niet vergund. Een gedoogde constructie is geen vergunde constructie!

 

Terug naar boven

 

5. Wie kan een herstelvordering voorleggen aan de Raad voor advies?

(artikel 6.3.10 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

De stedenbouwkundige inspecteurs en de burgemeesters moeten dit doen voor nieuwe herstelvorderingen. 

Alle overige personen of instanties kunnen geen advies vragen: de lokale politie, een gemeentelijke bouwtoezichter, een particulier of het Openbaar Ministerie.

 

Terug naar boven

 

6. Bestaat er zoiets als een gezamenlijke herstelvordering?

Het kan zijn dat de stedenbouwkundige inspecteur zich aansluit bij een herstelvordering van de burgemeester of omgekeerd.

 

Dit kan, maar hoeft niet.

Alleszins is dat niet vereist opdat de burgemeester of de stedenbouwkundige inspecteur geldig een herstelvordering voor advies kan indienen.

 

Beide overheden zijn gelijk bevoegd.

 

Terug naar boven

 

7. Wat is de rol van de Raad bij herstelvorderingen?

(artikel 6.3.10 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

De stedenbouwkundige inspecteurs en de burgemeesters kunnen maar een herstelvordering indienen bij het Openbaar Ministerie of bij de burgerlijke rechtbank als ze daarvoor voorafgaand positief advies van de Raad krijgen. 

 

Terug naar boven

 
8. Kan de stedenbouwkundige inspecteur of de burgmeester voorbijgaan aan het advies van de Raad of er geen rekening mee houden?

(artikel 6.3.10, §1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 6.3.11, §2 tweede lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

Wanneer geen advies wordt uitgebracht door de Raad of dit niet gebeurt binnen de decretaal bepaalde termijn van zestig dagen, kan de herstelvordering zonder advies bij het Openbaar Ministerie of de burgerlijke rechtbank worden ingediend.

 

Deze termijn van zestig dagen is een vervaltermijn, die ingaat de dag na deze van de betekening van de adviesaanvraag.

 

In het geval de Raad een negatief advies heeft verleend, kan de bevoegde overheid hier niet aan voorbij gaan. De herstelvordering kan in dat geval niet op ontvankelijke wijze worden ingediend bij het Openbaar Ministerie of de burgerlijke rechtbank.

 

Terug naar boven

 

9. Wat als de Raad negatief advies verleent?

(artikel 6.3.10, §1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

In dat geval kan de herstelvordering niet op ontvankelijke wijze worden ingediend bij het Openbaar Ministerie of de burgerlijke rechtbank door de bevoegde overheid.

 

Terug naar boven

 

10. Wat als de Raad geen advies verleent binnen de voorziene termijn?

(artikel 6.3.11, §2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

Wanneer geen advies wordt uitgebracht door de Raad binnen de voorziene termijn van zestig dagen dan kan de herstelvordering zonder advies worden ingediend bij het Openbaar Ministerie of de burgerlijke rechtbank. 

 

Hiervoor kan ook worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 8.

 

Terug naar boven

 

11. Wat als een “oude” herstelvordering van voor 16 december 2005 werd ingediend bij het Openbaar Ministerie of de burgerlijke rechtbank?

(oud artikel 7.7.3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

Het kan zijn dat een “oude” herstelvordering van vóór deze datum nog moet worden beoordeeld door de rechter in een gerechtelijke procedure die nog loopt.

In dat geval kon de rechter advies vragen aan de Raad indien hij dit nodig achtte. De rechter hoefde dit advies niet te vragen.

Het advies dat met toepassing van artikel 7.7.3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening door de Raad kan worden verleend, was niet bindend voor de rechter die het heeft gevraagd.

Het advies was ook niet bindend voor de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen, d.w.z. dat de stedenbouwkundige inspecteur of het college de gevorderde herstelmaatregel kon handhaven of bijkomend motiveren, ook al werd die door de Raad negatief geadviseerd.

 

Sinds 6 september 2014 is de inhoud van artikel 7.7.3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening gewijzigd, waardoor de Raad geen adviesbevoegdheid ter zake meer heeft.

 

Terug naar boven 

 

12. Houdt de Raad rekening met de eventuele verjaring van de herstelvordering en de strafvordering?

Alleen het Openbaar Ministerie en, indien de zaak voor de rechter wordt gebracht, de rechter kunnen met voldoende kennis van zaken oordelen over de verjaring van zowel de strafvordering als de herstelvordering.

Hoewel de Raad bij het verlenen van advies mee rekening houdt met het tijdsverloop sinds de bouwovertreding werd begaan, spreekt de Raad zich nooit uit over de mogelijke verjaring. Zo is het principieel niet uitgesloten dat de Raad een positief advies verleent over een herstelvordering waarbij de rechter later vaststelt dat de feiten verjaard zijn.

 

Terug naar boven

 

13. Wat is een opeenvolgende herstelvordering?

Wanneer de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester eerst een herstelvordering heeft ingediend bij het Openbaar Ministerie en nadien een herstelvordering indient bij de burgerlijke rechtbank of omgekeerd.

Kortom, wanneer voor een andere weg wordt gekozen om de herstelvordering in te dienen, is er sprake van opeenvolgende herstelvorderingen.

 

Dit kan bv. het geval zijn als het Openbaar Ministerie beslist het dossier zonder gevolg te rangschikken (een sepot) of als de burgerlijke rechter definitief de herstelvordering heeft afgewezen.

 

Terug naar boven

 

 

BEOORDELINGSKADER

HET ONDERZOEK DOOR DE RAAD NAAR DE RUIMTELIJKE WEERSLAG: DE DRIEVOUDIGE TOETS 

14. Wat houdt het onderzoek naar de ruimtelijke weerslag in?

(artikel 6.3.7, § 2, tweede lid, 2° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

Naast een legaliteitscontrole, voert de Raad een opportuniteitscontrole uit. De Raad maakt een eigen analyse van de concrete ruimtelijke weerslag van de illegale handeling(en).

Dit houdt in dat de Raad bij het verlenen van advies op basis van de beschikbare stukken, gegevens of inlichtingen zal onderzoeken wat de concrete weerslag is van het stedenbouwkundig misdrijf of de stedenbouwkundig inbreuk op de rechten van derden en op de plaatselijke ordening.

 

Terug naar boven

 

15. Wat houdt de drievoudige toets in?

(Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, zoals bevestigd in het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening)

In het Handhavingsprogramma Ruimtelijk Ordening bevestigt de Vlaamse Regering de vaste adviespraktijk van de Raad, die neerkomt op het doorvoeren van de volgende, drievoudige toets:

  • toets van de inbreuk aan de goede plaatselijke ordening, waarbij wordt onderzocht wat de concrete weerslag is op de plaatselijke ordening;
  • een gelijke behandeling van gelijkaardige feiten;
  • toets van de illegale handeling(en) aan de weerslag op de rechten van derden en belanghebbenden.

 

Terug naar boven

 

16. Wat is de zogenaamde “referentietoets”?

(artikel 6.3.7, § 2, tweede lid, 2° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; Memorie van Toelichting, Parl. St. Vl. Parl. 2008-2009, nr. 2011/1, 254 en Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, zoals bevestigd in het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening)

De Raad houdt bij zijn advisering rekening met de weerslag van de illegale handeling(en) op de plaatselijke ordening.

De plaatselijke ordening wordt omschreven als het niveau van de ‘goede ruimtelijke ordening’ van naburige percelen dat zou worden behaald indien zich geen schade ingevolge het betrokken stedenbouwkundig misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk zou hebben voorgedaan.

Hierbij moet abstractie worden gemaakt van de illegale handeling(en). Er moet worden nagegaan wat het niveau van de goede ruimtelijke ordening zou zijn, zouden het stedenbouwkundig misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk niet zijn gepleegd. Dit is de referentietoets.

Het niveau van de goede ruimtelijke ordening van de thans bestaande toestand wordt vergeleken met de referentietoestand voorafgaand aan de illegale handeling(en).

Deze referentietoestand is meestal de feitelijke toestand voorafgaand aan de illegale handeling(en), waarbij – in voorkomend geval – rekening wordt gehouden met de eerder vergunde toestand.

 

Terug naar boven

 

17. Betekent het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’ hetzelfde als bij de vergunningverlening?

(Memorie van Toelichting, Parl. St. Vl. Parl. 2008-2009, nr. 2011/1, 254 en Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, bevestigd door het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening)

Ja. De Raad hanteert hetzelfde begrip als bij de vergunningverlening. De appreciatiebevoegdheid van de bij het handhavingsbeleid betrokken besturen is dus analoog aan deze van de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag.

 

Terug naar boven

 

18. Aan de hand van welke beginselen wordt de referentietoets gemaakt?

De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van de volgende beginselen (cf. artikel 4.3.1, § 2, eerste lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening):

 

  1. het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4 VCRO;
  2. het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook de volgende aspecten in rekening brengen:
    a) beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in punt 1° ;
    b) de bijdrage van het aangevraagde aan de verhoging van het ruimtelijk rendement voor zover:
    1) de rendementsverhoging gebeurt met respect voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving;
    2) de rendementsverhoging in de betrokken omgeving verantwoord is;
  3. indien het aangevraagde gelegen is in een gebied dat geordend wordt door een ruimtelijk uitvoeringsplan, een gemeentelijk plan van aanleg of een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden waarvan niet op geldige wijze afgeweken wordt, en in zoverre dat plan of die vergunning voorschriften bevat die de aandachtspunten, vermeld in 1°, behandelen en regelen, worden deze voorschriften geacht de criteria van een goede ruimtelijke ordening weer te geven.

 

Terug naar boven

 

19. Hoe gebeurt de referentietoets door de Raad concreet?

(Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, bevestigd door het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening)

Aan de hand van de beginselen vermeld onder vraag 18 wordt door de Raad concreet getoetst aan de hand van concentrische cirkels die vertrekken bij de illegale handeling zelf en steeds verder uit elkaar liggen.

Dit betekent dat de Raad eerst de toestand op de plaats van de illegale handeling zelf vergelijkt met de toestand voorafgaand aan de inbreuk. Deze toestand is ofwel de feitelijke toestand, ofwel de eerder vergunde toestand.

Vervolgens worden de gevolgen van de illegale handeling op de onmiddellijke omgeving, d.w.z. links, rechts, voor en achter de geviseerde handeling onderzocht.

Pas nadien wordt onderzocht wat de gevolgen zijn van de handeling op de verdere en ruimere omgeving.

Opgelet: de vaststelling dat er geen of weinig gevolgen zijn op de verdere en ruimere omgeving is niet van aard de gevolgen op de onmiddellijke omgeving en op de plaats van de inbreuk zelf buitenspel te zetten.

 

Terug naar boven

 

20. Houdt de Raad rekening met een recente beoordeling van de goede ruimtelijke ordening door de vergunningverlenende overheid?

Ja. In zijn besluitvorming houdt de Raad ook rekening met een duidelijke, recente beoordeling van de goede ruimtelijke ordening door de vergunningverlenende overheid (in de mate dat de aanvraag hierbij werd getoetst aan het begrip “goede ruimtelijke ordening”).

 

Terug naar boven

 

21. Houdt de Raad rekening met een uitdrukkelijke voorwaarde opgelegd door de vergunningverlenende overheid?

Ja, de Raad houdt hiermee rekening. Let wel: het moet gaan om een voorwaarde zonder dewelke de stedenbouwkundige vergunning om redenen die verband houden met de goede aanleg van de plaats niet zou zijn afgeleverd!

Zo zal de Raad bv. geen rekening houden met de voorwaarde dat het akkoord van de nabuur moet verkregen worden of de voorwaarde dat het bouwplan moet worden gevolgd.

De Raad zal wel rekening houden met bv. de uitdrukkelijke voorwaarde dat “de boom in de voortuinstrook niet wordt gerooid”.

 

Terug naar boven

 

22. Houdt de Raad rekening met gedetailleerde voorschriften vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan, een bijzonder plan van aanleg, een verkaveling of een stedenbouwkundige verordening en volstaat de schending ervan om aan te tonen dat de inbreuk de plaatselijke ordening op kennelijk onevenredige wijze schaadt?

(artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, 3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, bevestigd door het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening)

Ja, de Raad houdt hiermee rekening. Let wel: het moet gaan om voorschriften die bepalend zijn voor het analyseren van de goede ruimtelijke ordening (de voorschriften moeten de decretale aandachtspunten vermeld in artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, 1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening regelen) en die bovendien dermate gedetailleerd zijn dat ze geen ruimte laten bij beoordeling van de goede ruimtelijke ordening.

Zo zal de Raad bv. oordelen dat een verkavelingsvoorschrift dat bepaalt dat de keuze van de materialen ‘in harmonie’ moet zijn met het karakter en het uitzicht van de omgeving onvoldoende gedetailleerd is om bepalend te zijn voor het analyseren van de goede ruimtelijke ordening. Dit voorschrift laat immers ruimte voor interpretatie.

Een verkavelingsvoorschrift dat bepaalt dat constructies in de tuinzone verboden zijn, is daarentegen wel voldoende gedetailleerd.

Wanneer er een schending is van een dergelijk voorschrift, zal de Raad in de regel besluiten dat de illegale handeling schade toebrengt aan de plaatselijke ordening.


Sinds 30 december 2017 kan onder bepaalde voorwaarden worden afgeweken van een voorschrift van een verkaveling ouder dan 15 jaar (artikel 4.3.1, §§ 1 en 2 VCRO) of van een voorschrift van een bijzonder plan van aanleg ouder dan 15 jaar (artikel 4.4.9/1 VCRO).


Is voldaan aan de voorwaarden, dan zal de Raad in zijn advies bijkomend de geviseerde handeling toetsen aan de goede plaatselijke ordening en zich niet beperken tot een toets aan het voorschrift van de verkaveling of het bijzonder plan van aanleg.

 

Terug naar boven

 

23. Houdt de Raad rekening met de vaststaande toekomstige goede ruimtelijke ordening?

(Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, bevestigd door het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening)

Ja. Let wel: om rekening te kunnen houden met beleidsmatig gewenste ontwikkelingen, moet het gaan om een recente, duidelijke (planologische) beleidsoptie.

Zo zal bv. een beleidssuggestie aan de hogere, planologische overheid die verdere concretisering behoeft door het hogere, planologische niveau, door de Raad niet worden aanvaard als een duidelijke beleidsoptie.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij een suggestie in een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan voor een “uitdoofbeleid” voor “niet-vergunde weekendverblijven”.

Wat bv. wel kan worden weerhouden als een duidelijke beleidsoptie, is de beleidsoptie dat binnen de betreffende K.M.O.-zone het bedrijventerrein beter visueel gebufferd moet worden, terwijl de illegale handeling het plaatsen van keerwanden en storten van grond en puin in de 3-m groene bufferzone betrof.

 

Terug naar boven

 

24. Houdt de Raad rekening met gelijkaardige inbreuken binnen de onmiddellijke omgeving van de kwestieuze illegale handeling?

(Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, bevestigd door het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening)

Ja, de Raad houdt hiermee rekening. Het is steeds een basisdoelstelling geweest van de Raad om te streven naar een gelijke behandeling van gelijkaardige zaken en feiten.

 

Dit werd uitdrukkelijk bevestigd in het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening.

Terug naar boven
 
25. Met welke aspecten houdt de Raad rekening bij het onderzoek naar de weerslag op de rechten van derden en belanghebbenden?

(artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, 1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; Memorie van Toelichting, Parl. St. Vl. Parl. 2008-2009, nr. 2011/1, 255 en Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, bevestigd door het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening)

De Raad houdt rekening met hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen.

Volgens de parlementaire voorbereiding bij dit artikel van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening moet worden onderzocht of en in welke mate de illegale handeling(en) niet van aard is (zijn) om kennelijk overdreven hinder te veroorzaken voor de naburige erven. Anderzijds moet niet alleen de huidige, maar ook de toekomstige goede ruimtelijke ordening worden veilig gesteld.

 

Terug naar boven 

 

HET ONDERZOEK DOOR DE RAAD OVER DE KEUZE VAN DE HERSTELMAATREGEL

26. Welke herstelmaatregel kan door het bestuur gevorderd worden?

(artikel 6.3.1, § 1, eerste lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorziet een rangorde in de keuze van de herstelmaatregel.

 

Welke herstelmaatregel in welk geval mogelijk is, ligt vast:

 

1° de te vorderen herstelmaatregel is de meerwaarde als het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening.

 

2° de te vorderen herstelmaatregel is de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken, zo die kennelijk volstaan om de plaatselijke ordening te herstellen.

 

3° in alle andere gevallen is de te vorderen herstelmaatregel het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik.

 

De meerwaarde is geen speciaal geval meer van een zogenaamde vermogensvermeerdering zonder oorzaak. De meerwaarde is van rechtsaard sinds 1 maart 2018 omgevormd tot een zogenaamde ‘forfaitaire gedoogvergoeding’.

 

Een ‘forfaitaire gedoogvergoeding’ betekent dat een onwettige toestand die niet in overeenstemming is met de geldende stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften, mag blijven zoals die is – dus wordt ‘gedoogd’, als een bepaalde geldsom wordt betaald.

 

Die geldsom is de meerwaarde.

 

De berekening van de meerwaarde ligt vast. Vanaf 1 maart 2018 geldt het ‘besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2018 betreffende de handhaving van de ruimtelijke ordening en tot wijziging en opheffing van diverse besluiten’. 

 

Terug naar boven

 

27. Kan er gekozen worden voor een combinatie van herstelmaatregelen?

(artikel 6.3.1, §1, tweede lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

Voor de diverse onderdelen van eenzelfde misdrijf kunnen verschillende herstelmaatregelen worden gecombineerd.

 

Het moet gaan om diverse, en als dusdanig herkenbare onderdelen van eenzelfde misdrijf. Wanneer voor elk onderdeel een eigen herstelmaatregel wordt beoogd, moet die herstelmaatregel per onderdeel van het misdrijf voldoen aan de rangorde.

 

Het vorderen van bouw- of aanpassingswerken en een aanvullende meerwaarde voor de toestand nadat die bouw- of aanpassingswerken zijn uitgevoerd, is een combinatie van herstelmaatregelen die niet mogelijk is.

 

Deze combinatie doorstaat immers niet de vereiste dat het moet gaan om diverse onderdelen van eenzelfde misdrijf. De meerwaarde betreft niet het gevolg van het misdrijf zelf, maar heeft betrekking op de toestand ná de aanpassingswerken, en dus op een beweerdelijk (deels) hersteld misdrijf.

 

De rangorde legt op dat een meerwaarde enkel kan wanneer het gevolg van het misdrijf – dus niet het gevolg van een beweerdelijk (deels) hersteld misdrijf – kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening.

 

Terug naar boven

 

28. Kan de bevoegde overheid de keuze voor de ene of andere herstelmaatregel aan de Raad overlaten?

(Memorie van Toelichting, Parl. St. Vl. Parl. 2008-2009, nr. 2011/1, 253).

Neen, de keuze van de herstelmaatregel komt aan de bevoegde overheid toe. De herstelvordering moet in het licht van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel daarenboven voldoende duidelijk zijn.

Dit houdt concreet in dat wanneer een herstelmaatregel wordt gevorderd, deze – omwille van de rechtszekerheid – voldoende precies en op zichzelf uitvoerbaar moet zijn, zonder bv. de concrete appreciatie aan de uitvoerder te laten.

 

Een herstelvordering kan ook niet 'optioneel' zijn: de bevoegde overheid kan bv. niet twee herstelmaatregelen aan de Raad voor advies voorleggen met de vraag dat de Raad zou 'kiezen' voor de meest passende herstelmaatregel.

 

Terug naar boven

 

29. Kan de bevoegde overheid aan de Raad vragen dat de betrokkene een regularisatievergunning zou aanvragen?

Neen. De bevoegde overheid moet een in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening gedefinieerde herstelmaatregel vorderen. Het indienen van een regularisatieaanvraag maakt geen deel uit van de in artikel 6.3.1, §1, eerste lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorziene herstelmaatregelen, zodat de Raad hieromtrent niet nuttig om advies kan worden verzocht. De Raad is dus niet bevoegd om hierover advies te verlenen.

 

Terug naar boven

 

30. Een meerwaarde kan enkel als het gevolg van het misdrijf “kennelijk” verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening. Bouw -of aanpassingswerken kunnen enkel als ze “kennelijk” volstaan om de plaatselijke ordening te herstellen. Dit ligt vast in de nieuwe rangorde die geldt vanaf 1 maart 2018. Wat beschouwt de Raad als “kennelijk”?

(artikel 6.3.1, § 1, eerste lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Opdat een meerwaarde voldoet aan de rangorde, moet het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar zijn met een goede ruimtelijke ordening.

 

Onder kennelijk moet worden verstaan dat het voor de hand ligt dat het gevolg van het misdrijf kan worden gedoogd, dit wil zeggen dat ieder met de betrokken reglementering vertrouwd persoon na een eerste aanblik van de huidige toestand tot de conclusie komt dat deze toestand verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening (cf. RvS 1 december 1998, nr. 77.276, Catteeuw). De huidige toestand, die het “gevolg van het misdrijf is”, moet dus na een eerste aanblik, dus op zichzelf, kunnen worden gedoogd. Dit gedogen moet evident zijn, dus voor de hand liggen.

 

Opdat de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken voldoet aan de rangorde, moeten ze kennelijk volstaan om de plaatselijke ordening te herstellen.

 

Onder kennelijk moet worden verstaan dat het voor de hand ligt dat de bouw- of aanpassingswerken volstaan om de plaatselijke ordening te herstellen, dit wil zeggen dat ieder met de reglementering vertrouwd persoon na een eerste aanblik van de toestand na de uitvoering van de bouw- of aanpassingswerken tot de conclusie komt dat deze toestand, op zichzelf dus want na een eerste aanblik, verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening (RvS 1 december 1998, nr. 77.276, Catteeuw). De toestand verkregen na de uitvoering van de bouw- of aanpassingswerken moet dus na een eerste aanblik, dus op zichzelf, volstaan om de plaatselijke ordening te herstellen. Dit moet bovendien evident zijn, dus voor de hand liggen.

 

Terug naar boven

 

31. Speelt de doorbreking van het stakingsbevel nog een rol bij de rangorde van de herstelmaatregelen?

(artikel 6.3.1, § 1, eerste lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Neen.

 

Vóór 1 maart 2018 was in geval van het doorbreken van een stakingsbevel het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik de principieel te vorderen herstelmaatregel. Een meerwaarde kon bij een doorbreking van een stakingsbevel enkel wanneer het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar was met een goede ruimtelijke ordening.

 

Of een stakingsbevel is doorbroken, speelt sinds 1 maart 2018 geen rol meer in de rangorde van de herstelmaatregelen.

 

Ongeacht of er een doorbreking is van een stakingsbevel, kan een meerwaarde enkel als het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening. Als men opteert voor een meerwaarde is dit dus steeds vereist, ook zonder dat een stakingsbevel is doorbroken.

 

Terug naar boven

 

32. Speelt het nog een rol of de geviseerde handeling is verricht in strijd met de bestemmingsvoorschriften?

 

(artikel 6.3.1, § 1, eerste lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

Neen.

 

Sinds 1 maart 2018 is het irrelevant in de rangorde of een stedenbouwkundig misdrijf of een stedenbouwkundige inbreuk strijdt met de bestemmingsvoorschriften, dat zijn de stedenbouwkundige voorschriften die bepalen welke functies of activiteiten op een perceel zijn toegelaten.

 

Vóór 1 maart 2018 speelde dit wel nog een rol. Werd de geviseerde handeling verricht in strijd met de bestemmingsvoorschriften, dan moest bijkomend worden onderzocht of er voor de toestand een mogelijkheid gold om af te wijken van die bestemmingsvoorschriften.

 

Was dit het geval, dan was de meerwaarde de principieel te vorderen herstelmaatregel. Was dit niet het geval, dan was de principieel te vorderen herstelmaatregel het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik.

 

Was de meerwaarde de principieel te vorderen herstelmaatregel, maar hield het gedogen van de huidige toestand in dat aan de plaatselijke ordening kennelijk schade werd berokkend in ruimtelijk opzicht, dan was een meerwaarde op haar beurt toch uitgesloten.

 

Terug naar boven

 

33. Speelt het een rol of de plaatselijke ordening kennelijk op onevenredige wijze wordt geschaad door de geviseerde handeling?

(artikel 6.3.1, § 1, eerste lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Neen, niet als dusdanig.

 

Vóór 1 maart 2018 kon het zijn dat een meerwaarde toch was uitgesloten, zelfs als die zich aandiende als de principieel te vorderen herstelmaatregel.

 

Een meerwaarde moest in principe worden gevorderd wanneer:

 

- de handeling niet was gepaard gegaan met de doorbreking van een stakingsbevel en;
- de handeling niet  was verricht in strijd met de bestemmingsvoorschriften die golden voor het perceel;
- of de handeling weliswaar was verricht in strijd met de bestemmingsvoorschriften, maar er een mogelijkheid was om af te wijken van die bestemmingsvoorschriften.

 

Toch was een meerwaarde soms uitgesloten. Dit was zo als het gedogen van de onwettige toestand door de betaling van een meerwaarde, kennelijk de plaatselijke ordening op onevenredige wijze schaadde.

 

Of anders, een meerwaarde was vóór 1 maart 2018 nooit mogelijk wanneer het gedogen van de onwettige toestand kennelijk de plaatselijke ordening schade berokkende.

 

Sedert 1 maart 2018 kan een meerwaarde enkel wanneer het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening.

 

Uiteraard zal wanneer de onwettige toestand kennelijk de plaatselijke ordening schade berokkent, een meerwaarde ook in de rangorde vanaf 1 maart 2018 niet mogelijk zijn. Maar dit is ook het geval als die schade niet kennelijk is.

 

Elke ruimtelijke schade die verhindert dat het voor de hand ligt dat na een eerste aanblik van de onwettige toestand, een met de reglementering vertrouwd persoon besluit dat die toestand kan worden gedoogd na de betaling van een meerwaarde, leidt tot de uitsluiting van de meerwaarde.

 

Dus vóór 1 maart 2018 moest het gaan om manifeste ruimtelijke schade. Vanaf 1 maart 2018 is elke ruimtelijke schade die zo’n besluit verhindert, schade die leidt tot de uitsluiting van een meerwaarde. Dus ook ruimtelijke schade die niet manifest is.

 

Terug naar boven

 

34. En hoe zit het met stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften die bepalend zijn voor de beoordeling van de ruimtelijke ordening en geen verdere ruimte voor enige beoordeling overlaten?

Het gaat om de detailvoorschriften behandeld in de veel gestelde vraag nr. 22.

 

De Raad houdt zijn vaste adviespraktijk aan dat wanneer een handeling is verricht in strijd met zo’n gedetailleerd stedenbouwkundig voorschrift of verkavelingsvoorschrift, een meerwaarde is uitgesloten.

 

Een meerwaarde is immers enkel mogelijk als het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening.

 

Werd de geviseerde handeling verricht in strijd met zo’n gedetailleerd stedenbouwkundig voorschrift of verkavelingsvoorschrift, dan ligt het voor geen enkele met de reglementering vertrouwd persoon, na een eerste aanblik ervan, voor de hand dat de onwettige toestand kan worden gedoogd na de betaling van een meerwaarde.

 

Dit geldt des te meer vanaf 1 maart 2018, omdat een meerwaarde steeds vereist dat het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening.

 

Wel moet worden rekening gehouden met de omstandigheid dat het decreet van 8 december 2017, de zogenaamde “Codextrein” sinds zijn inwerkingtreding op 30 december 2017 een aantal wijzigingen aanbracht in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 22.

 

Artikel 4.3.1, § § 1 en 2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening laat onder bepaalde voorwaarden toe af te wijken van een voorschrift van een verkaveling ouder dan 15 jaar. Artikel 4.4.9/1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening laat onder bepaalde voorwaarden toe af te wijken van een voorschrift van een bijzonder plan van aanleg van ouder dan 15 jaar.

 

Zijn die voorwaarden vervuld, dan zal de loutere strijdigheid met de voorschriften van een verkaveling of een bijzonder plan van aanleg van ouder dan 15 jaar, niet volstaan om te besluiten dat een meerwaarde is uitgesloten.

 

Vanuit een aanvullende toetsing aan de goede ruimtelijke ordening zal concreet moeten worden onderzocht of het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening.

 

Hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 30.

 

Terug naar boven

 

HET TIJDSVERLOOP: AANVULLENDE BELEIDSCRITERIA VOOR DE RAAD

35. Speelt het tijdsverloop een rol bij de adviesverlening over herstelvorderingen?

 (Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, bevestigd door het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening)

Ja, de Raad houdt rekening met het tijdsverloop tussen het initiële feit (de oprichting van een constructie of het begin van uitvoering van een handeling) en de datum van het inleiden van een adviesaanvraag over een herstelvordering. Het tijdsverloop is immers een belangrijke indicator om de ernst van de weerslag op rechten van derden en belanghebbenden te beoordelen.


Het Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening voorziet dienaangaande een aantal aanvullende beleidscriteria die pas aan bod komen wanneer de herstelvordering de drievoudige toets doorstaat. Dit werd bevestigd door het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening.

Deze aanvullende beleidscriteria houden het volgende in:

  • voor recente overtredingen: de Raad zal positief advies verlenen wanneer de herstelvordering de drievoudige toets doorstaat. Ter zake heeft de Raad geen bestuurlijke beoordelingsvrijheid meer indien de herstelvordering de drievoudige toets doorstaat.
  • voor niet-recente, doch geconsolideerde overtredingen: de Raad zal positief advies verlenen wanneer de herstelvordering de drievoudige toets doorstaat. Ter zake heeft de Raad geen bestuurlijke beoordelingsvrijheid meer indien de herstelvordering de drievoudige toets doorstaat.
  • voor wederrechtelijke toestanden met een voortschrijdend karakter: de Raad zal positief advies verlenen wanneer de herstelvordering de drievoudige toets doorstaat. Ter zake heeft de Raad geen bestuurlijke beoordelingsvrijheid meer indien de herstelvordering de drievoudige toets doorstaat.
  • voor niet-recente, niet-geconsolideerde overtredingen: de Raad kan negatief advies verlenen, zelfs wanneer de herstelvordering de drievoudige toets doorstaat. Ter zake heeft de Raad bestuurlijke beoordelingsvrijheid.

 

Terug naar boven

 

36. Wat beschouwt de Raad als “recent” en “niet recent”?

(Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, bevestigd door het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening)

 

Het begrip “recente overtreding” wordt in punt 7.3.1.2 van het Handhavingsplan niet gedefinieerd. In zijn spraakgebruikelijke betekenis wordt “recent” omschreven als “van kort geleden, uit de laatste tijd, pas voorgevallen” (Van Dale). De termijn gedurende dewelke een overtreding “(niet-)recent” is, valt niet samen met de termijn van de verjaring van het vorderingsrecht van de bevoegde overheid zoals bepaald in artikel 6.3.3, § 3, eerste lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Zo niet, zou het begrip “recent” zinledig zijn. Daar waar de verjaringstermijn betrekking heeft op de juridische mogelijkheid voor de bevoegde overheid om binnen een bepaald tijdspad het vorderingsrecht uit te oefenen, hebben de noties “recent” en “niet-recent” uit het Handhavingsplan betrekking op de beleidsruimte die de Raad heeft bij de beoordeling van de opportuniteit om een herstelvordering waarvan het vorderingsrecht in rechte mogelijks nog niet is verjaard, alsnog in te leiden.

 

De decreetgever heeft in artikel 6.3.3, § 3, eerste lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de verjaring van het vorderingsrecht van de bevoegde overheid gedifferentieerd naargelang de bestemming van het toepasselijke plan van aanleg of uitvoeringsplan waarbinnen de handeling is geschied.

 

Alhoewel de begrippen “(niet-)recent” en “verjaring” niet samenvallen, strekken beiden ertoe, op grond van overwegingen van algemeen belang en rechtszekerheid, te vermijden dat er teveel tijd verloopt vooraleer de gedane verstoring van de goede ruimtelijke ordening wordt hersteld.

 

Ter beoordeling van wat een al dan niet “recente overtreding” is, sluit de Raad zich daarom aan bij deze door de decreetgever gemaakte bestemmingsgebonden differentiatie. Aangezien het begrip “recent” evenwel betekent “van kort geleden” en niet samenvalt met de verjaringstermijnen, is het tijdsverloop tussen het initiële feit en de datum van het inleiden van de herstelvordering korter dan de op die handeling toepasselijke verjaringstermijn. De Raad hanteert daarom de helft van de in voornoemd artikel bepaalde verjaringstermijn (afgerond naar bovenliggend jaartal).

 

Ligt de overtreding in ruimtelijk kwetsbaar gebied bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, eerste lid, 1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in open ruimtegebied bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, eerste lid, 2° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dan hanteert de Raad als beleidsregel dat wanneer het initiële feit dateert van niet meer dan vijf jaar geleden deze overtreding als recent wordt gekwalificeerd. Dateert het initiële feit daarentegen van meer dan vijf jaar geleden, dan wordt deze overtreding in deze gebieden als niet-recent gekwalificeerd.

 

Ligt de overtreding in een gebied ander dan ruimtelijk kwetsbaar of open ruimtegebied, zijnde in de andere gebieden bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, eerste lid, 3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dan hanteert de Raad als beleidsregel dat wanneer het initiële feit dateert van niet meer dan drie jaar geleden deze overtreding als recent wordt gekwalificeerd. Dateert het initiële feit daarentegen van meer dan drie jaar geleden, dan wordt deze overtreding in deze gebieden als niet-recent gekwalificeerd.

 

De termijn begint te lopen vanaf het initiële feit (de oprichting van de constructie, het begin van de uitvoering van de handeling) en niet vanaf de feitelijke kennisname van het strafbare feit door de bevoegde overheid. De feitelijke kennisname door de bevoegde overheid is irrelevant voor de beoordeling of een overtreding recent is in de zin van punt 7.3.1.2 van het Handhavingsplan.

 

Terug naar boven

 

37. Wat zijn niet-geconsolideerde, niet-recente overtredingen?

(Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, bevestigd door het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening, voetnoot 1 en 2)

 

Niet-geconsolideerde, niet-recente overtredingen zijn volgens het Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening “niet-recente overtredingen die in het verleden niet werden vastgesteld en die pas na vele jaren, b.v. bij het te koop stellen van het goed, worden vastgesteld”.

 

Geconsolideerde, niet-recente overtredingen zijn volgens het Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening “niet-recente overtredingen die in het verleden tijdig werden vastgesteld en waarvoor nadien de nodige stappen werden gezet tot het bekomen van herstel, maar waarbij op heden nog geen definitieve uitspraak werd verkregen dan wel nog geen (volledige) uitvoering werd gegeven aan de opgelegde herstelmaatregelen”.

 

Ligt de overtreding in ruimtelijk kwetsbaar gebied bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, eerste lid, 1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in open ruimtegebied bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, eerste lid, 2° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dan hanteert de Raad als beleidsregel dat wanneer het initiële feit dateert van meer dan vijf jaar geleden deze overtreding als niet-recent wordt gekwalificeerd. Hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 36.

 

Ligt de overtreding in een gebied ander dan ruimtelijk kwetsbaar of open ruimtegebied, zijnde in de andere gebieden bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, eerste lid, 3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dan hanteert de Raad als beleidsregel dat wanneer het initiële feit dateert van meer dan drie jaar geleden deze overtreding als niet-recent wordt gekwalificeerd. Hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 36.

 

Onder het tijdig vaststellen van een overtreding moet worden begrepen dat één van de stappen van het modeltraject vermeld onder punt 7.2.2 van het Handhavingsplan moet zijn gezet binnen de periode van:

 

- 3 jaar na het initiële feit, wanneer de overtreding ligt in een gebied ander dan ruimtelijk kwetsbaar of open ruimtegebied;

 

- 5 jaar na het initiële feit, wanneer de overtreding ligt in open ruimtegebied of ruimtelijk kwetsbaar gebied.

 

In het geval de overtreding een niet-recente overtreding betreft die niet tijdig werd vastgesteld zoals hiervoor vermeld, dan is er in principe sprake van een niet-recente, niet-geconsolideerde overtreding.

 

In het geval de overtreding een niet-recente overtreding betreft die wél tijdig werd vastgesteld zoals hiervoor vermeld, dan betekent dit nog niet dat de overtreding geconsolideerd is. In dat geval zal de Raad aan de hand van de beschikbare stukken, gegevens en/of inlichtingen nagaan of de bevoegde overheid sinds de vaststelling van de bouwovertreding de nodige stappen heeft gezet tot het bekomen van herstel. Oordeelt de Raad dat dit het geval is, dan betreft het een geconsolideerde overtreding. Hiervoor kan ook worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 38.

 

Het criterium aan de hand waarvan de Raad oordeelt of de bevoegde overheid de nodige stappen heeft gezet tot het bekomen van herstel, is dat er geen bewezen vertraging is bij het bekomen van herstel. Voor wat betreft de elementen die de Raad bij deze beoordeling in acht neemt, kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 38.

 

Terug naar boven

 

38. Wat zijn geconsolideerde, niet-recente overtredingen en met welke handelingen gericht op een handhavend optreden houdt de Raad zoal rekening?

(Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, bevestigd door het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening, voetnoot 1)

 

Geconsolideerde, niet-recente overtredingen zijn volgens het Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening “niet-recente overtredingen die in het verleden tijdig werden vastgesteld en waarvoor nadien de nodige stappen werden gezet tot het bekomen van herstel, maar waarbij op heden nog geen definitieve uitspraak werd verkregen dan wel nog geen (volledige) uitvoering werd gegeven aan de opgelegde herstelmaatregelen”.

 

Ligt de overtreding in ruimtelijk kwetsbaar gebied bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, eerste lid, 1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in open ruimtegebied bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, eerste lid, 2° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dan hanteert de Raad als beleidsregel dat wanneer het initiële feit dateert van meer dan vijf jaar geleden deze overtreding als niet-recent wordt gekwalificeerd. Hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 36.

 

Ligt de overtreding in een gebied ander dan ruimtelijk kwetsbaar of open ruimtegebied, zijnde in de andere gebieden bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, eerste lid, 3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dan hanteert de Raad als beleidsregel dat wanneer het initiële feit dateert van meer dan drie jaar geleden deze overtreding als niet-recent wordt gekwalificeerd. Hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 36.

 

Onder het tijdig vaststellen van een overtreding moet worden begrepen dat één van de stappen van het modeltraject vermeld onder punt 7.2.2 van het Handhavingsplan moet zijn gezet binnen de periode van:

 

- 3 jaar na het initiële feit, wanneer de overtreding ligt in een gebied ander dan ruimtelijk kwetsbaar of open ruimtegebied;

 

- 5 jaar na het initiële feit, wanneer de overtreding ligt in open ruimtegebied of ruimtelijk kwetsbaar gebied.

 

In het geval de overtreding een niet-recente overtreding betreft die niet tijdig werd vastgesteld zoals hiervoor vermeld, dan is er in principe sprake van een niet-recente, niet-geconsolideerde overtreding.

 

In het geval de overtreding een niet-recente overtreding betreft die wél tijdig werd vastgesteld zoals hiervoor vermeld, dan betekent dit nog niet dat de overtreding geconsolideerd is. In dat geval zal de Raad aan de hand van de beschikbare stukken, gegevens en/of inlichtingen nagaan of de bevoegde overheid sinds de vaststelling van de bouwovertreding de nodige stappen heeft gezet tot het bekomen van herstel. Oordeelt de Raad dat dit het geval is, dan betreft het een geconsolideerde overtreding.

 

Uit de adviespraktijk van de Raad kan afgeleid worden dat bij het beoordelen van het al dan niet geconsolideerd karakter van de overtreding onder meer rekening wordt gehouden met de volgende handelingen gericht op een handhavend optreden:

 

- het opstellen van een proces-verbaal;
- het indienen van een herstelvordering bij het Openbaar Ministerie;
- in tussentijd afgeleverde beslissingen over een regularisatieaanvraag of een stedenbouwkundige aanvraag;
- omstandigheden waarbij een herstelvordering tijdig werd voorgelegd aan de strafrechter maar deze geen uitspraak deed over de herstelvordering en in het kader van opeenvolgende herstelvorderingen een herstelprocedure zal worden ingeleid voor de burgerlijke rechter;
- het indienen van een (eerdere) adviesaanvraag bij de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, of thans de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering.

 

Het criterium aan de hand waarvan de Raad oordeelt of de bevoegde overheid de nodige stappen heeft gezet tot het bekomen van herstel, is dat er geen bewezen vertraging is bij het bekomen van herstel. De Raad neemt om dit te beoordelen de volgende elementen in acht:

 

1. De bevoegde overheid heeft de plicht om op diligente wijze het dossier aanhangig te maken bij de Raad, het Openbaar Ministerie of de burgerlijke rechtbank eenmaal alle noodzakelijke gegevens daartoe bekend zijn. Zo is het determineren van de (mede)dader(s) niet van belang met het oog op de advisering door de Raad;

 

2. De termijnen die deze overheden nodig hebben voor hun eigen onderzoek en beslissingen of adviezen kan in beginsel de bevoegde overheid niet worden aangerekend en heeft geen invloed op de beoordeling van het geconsolideerde karakter van de overtreding;

 

3. Wanneer de bevoegde overheid een herstelmaatregel beoogt, moet zij op regelmatige wijze informeren naar de stand van het onderzoek bij deze overheden;

 

4. De beoordeling van de regelmaat waarmee dit gebeurt, staat in functie van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en de beoogde herstelmaatregel. Zo zal wanneer het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand wordt beoogd, deze regelmaat strakker worden beoordeeld;

 

5. De bewijslast dat de bevoegde overheid het nodige heeft gedaan, ligt bij deze bevoegde overheid.

 

Terug naar boven

 

39. Volstaat het verrichten van één enkele handeling om te besluiten dat er sprake is van een geconsolideerde overtreding?

Dit wordt geval per geval bekeken, maar uit de beschikbare stukken, gegevens en/of inlichtingen moet wel blijken dat de bevoegde overheid sinds de vaststelling van de bouwovertreding zonder bewezen vertraging de nodige stappen heeft gezet met het oog op het bekomen van herstel. Hiervoor kan ook worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 38.
 

 

Terug naar boven

 

40. Wat zijn wederrechtelijke toestanden met een voortschrijdend karakter?

(Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, bevestigd door het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening)

 

Opdat er sprake is van een wederrechtelijke toestand met een voortschrijdend karakter in de zin van het Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening, moet er sprake zijn van “een wederrechtelijke toestand die een steeds voortschrijdend karakter kent en (waarbij) de goede ruimtelijke ordening steeds verder en verder bezwaard wordt”.

 

Het voortschrijdend karakter veronderstelt een aaneenschakeling van een bepaald aantal wederrechtelijke handelingen die gesitueerd zijn op het (de) kwestieuze perce(e)l(en) of in de onmiddellijke omgeving ervan. Of er al dan niet sprake is van een voldoende continuïteit tussen deze handelingen, is een feitenkwestie die de Raad in concreto beoordeelt. De Raad benadert de actuele toestand eerder ruimtelijk in functie van de schadelijke gevolgen op de plaatselijke ordening.


 
In het geval van een gewoontemisdrijf, bv. het gewoonlijk gebruiken van de grond voor het opslaan van allerhande materiaal, oordeelt de Raad in principe dat er sprake is van een voortschrijdende toestand.

 

Terug naar boven

 

41. Wordt het tijdsverloop als een absolute maatstaf gehanteerd?

(Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, punt 7.3.1.2, bevestigd door het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening)

 

Neen. Er kunnen steeds tegen-indicatoren zijn, zoals bv. het geconsolideerd karakter van een overtreding (hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 38).


 
Is er sprake van een niet-recente, niet-geconsolideerde overtreding (hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 37), dan kan de Raad negatief advies verlenen, zelfs wanneer de herstelvordering de drievoudige toets doorstaat. Ter zake heeft de Raad bestuurlijke beoordelingsvrijheid. De Raad zal in dat geval een afweging maken tussen de weerslag van de geviseerde handeling(en) op de rechten van derden in functie van het tijdsverloop sinds het initiële feit en de weerslag van de geviseerde handeling(en) op de plaatselijke ordening.

 

Indien uit de concrete, feitelijke toedracht van de zaak blijkt dat de concrete weerslag van de wederrechtelijke toestand op de plaatselijke ordening opweegt tegen de weerslag ervan op de rechten van derden in functie van het tijdsverloop, waardoor de beoogde herstelmaatregel vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening nog steeds noodzakelijk is, dan zal de Raad een positief advies verlenen.

 

 

Terug naar boven

 

 

 

 

ADVIESPROCEDURE

VANUIT HET OOGPUNT VAN HET BESTUUR

42. Hoe wordt een adviesaanvraag aan de Raad gericht?

(artikel 6.3.11, § 1, eerste lid en artikel 1.1.2, 3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 4, § 1 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat adviesaanvragen betreffende (opeenvolgende) herstelvorderingen moeten worden gevraagd bij beveiligde zending (o.a. een aangetekend schrijven of een afgifte tegen ontvangstbewijs). Dit begrip is gedefinieerd in artikel 1.1.2, 3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

 

Gezien de Raad in de administratieve praktijk voluit de kaart trekt van de elektronische communicatie, bepaalt het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad dat de bevoegde overheden bij een papieren kennisgeving tevens een gehele of gedeeltelijke digitale kopie kunnen aanreiken van de aanvraag.

 

Terug naar boven

 

43. Op welk adres moet de adviesaanvraag worden toegestuurd?

Deze moet worden verstuurd naar de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering op het volgende adres:

Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering
p.a. Koningin Maria Hendrikaplein 70 bus 95
9000 Gent

 

Terug naar boven

 

44. Binnen welke termijn moet de Raad advies verlenen?

(artikel 6.3.11, § 2, eerste lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Bij adviesaanvragen over een herstelvordering of een opeenvolgende herstelvordering uitgaande van de burgemeester en/of de stedenbouwkundige inspecteur geldt een adviestermijn van 60 dagen. De voorziene termijn van 60 dagen is een vervaltermijn, die ingaat de dag na deze van de betekening van de adviesaanvraag.

 

Terug naar boven

 

45. Welke elementen moet de adviesaanvraag minstens bevatten om ontvankelijk te zijn?

(artikel 14 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Volgende essentiële elementen die noodzakelijk zijn om kennis te nemen van de aanvraag, zijn voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid:

 

1. het voorwerp van de adviesaanvraag. Het volstaat dat dit duidelijk blijkt uit de aanvraag (bv. duidelijke vermelding in de aanhef of onderwerp,…);
2. de kadastrale identificatie van het perceel waarop de wederrechtelijk uitgevoerde handelingen zijn verricht op het ogenblik van de adviesaanvraag;
3. een beschrijving van de wederrechtelijke handelingen.

 

De wijze waarop de kadastrale identificatie en/of beschrijving van de wederrechtelijke handeling(en) geschiedt, is niet aan pleegvormen onderworpen. Het is voldoende dat deze gegevens duidelijk worden aangebracht.

Terug naar boven

 

46. Wat is de vereiste minimale inhoud van het informatiedossier bij een adviesaanvraag over een herstelvordering?

(artikel 15 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Het informatiedossier moet in alle gevallen tenminste het volgende bevatten:

 

1. de identificatie van de vermoedelijke (mede)daders en medeplichtigen;
2. de vermelding van de gevorderde herstelmaatregel(en);
3. het planologisch kader, nl. het grafisch plan en de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften van het plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan dat van toepassing is op het ogenblik van de adviesaanvraag op het perceel waarop de wederrechtelijk uitgevoerde handelingen zijn gesitueerd en in voorkomend geval, de vaststaande toekomstige ruimtelijke ordening;
4. een fotoreportage ter ondersteuning van de aanvraag;
5. de feitelijke en juridische historiek van het dossier, waarbij in het bijzonder het tijdstip wordt gedetailleerd waarop de illegale handeling is gebeurd en vastgesteld, alsook of de illegale handeling al dan niet is geconsolideerd en of het al dan niet een wederrechtelijke toestand met een voortschrijdend karakter betreft;
6. een gemotiveerde omgevingsanalyse bevattende de weerslag van de illegale handeling(en) op de rechten van derden en op de plaatselijke ordening, zijnde het niveau van de goede ruimtelijke ordening van naburige percelen dat zou worden behaald indien zich geen schade als gevolg van de illegale handeling(en) zou hebben voorgedaan, waarbij gedetailleerd wordt welke de weerslag is op de onmiddellijke omgeving en op de ruimere omgeving.

 

In voorkomend geval moet het informatiedossier tevens het volgende bevatten:
1. indien het perceel waarop de wederrechtelijk uitgevoerde handelingen zijn gesitueerd, gelegen is binnen de begrenzing van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling: de verkavelingsvergunning met inbegrip van het verkavelingsplan en de erbij horende verkavelingsvoorschriften die van toepassing zijn op het ogenblik van de adviesaanvraag op het perceel waarop de wederrechtelijk uitgevoerde handelingen zijn gesitueerd;
2. indien het een inbreuk betreft op een verordening: de verordening zoals die geldt op het ogenblik van de adviesaanvraag.


 
Het verdient verder aanbeveling, indien de herstelvordering het niet conform uitvoeren van een stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen betreft, de kwestieuze vergunningsbeslissing en de bijhorende plannen te bezorgen.

Terug naar boven

 

47. Wat is de vereiste minimale inhoud van het informatiedossier bij een adviesaanvraag over een opeenvolgende herstelvordering?

(artikel 17 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Het informatiedossier moet in alle gevallen tenminste het volgende bevatten:

 

1. het planologisch kader, nl. het grafisch plan en de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften van het plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan dat van toepassing is op het ogenblik van de adviesaanvraag op het perceel waarop de wederrechtelijk uitgevoerde handelingen zijn gesitueerd en in voorkomend geval, de vaststaande toekomstige ruimtelijke ordening;
2. een fotoreportage ter ondersteuning van de aanvraag;
3. een gemotiveerde analyse bevattende de gronden om de initiële keuze van de bevoegde overheid te wijzigen;
4. een afschrift van de gewone brief bedoeld in artikel 6.3.1, § 3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening indien de herstelvordering werd ingeleid bij het Openbaar Ministerie, dan wel een afschrift van de gedinginleidende akte in de overige gevallen;
5. indien de eerste vordering heeft geleid tot een rechterlijke uitspraak, een afschrift ervan.

 

In voorkomend geval moet het informatiedossier tevens het volgende bevatten:

 

1. indien het perceel waarop de wederrechtelijk uitgevoerde handelingen zijn gesitueerd, gelegen is binnen de begrenzing van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling: de verkavelingsvergunning met inbegrip van het verkavelingsplan en de erbij horende verkavelingsvoorschriften die van toepassing zijn op het ogenblik van de adviesaanvraag op het perceel waarop de wederrechtelijk uitgevoerde handelingen zijn gesitueerd;
2. indien het een inbreuk betreft op een verordening: de verordening zoals die geldt op het ogenblik van de adviesaanvraag.

Terug naar boven

 

48. Hebben de besturen inspraak in de samenstelling van het informatiedossier?

(artikel 21, eerste lid en artikel 20, eerste lid Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Ja. Het is mogelijk dat het bestuur oordeelt dat er redenen zijn om één of meer stukken, gegevens of inlichtingen die volgens het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad minimaal vereist zijn, niet in het informatiedossier op te nemen. In dat geval moeten de redenen daartoe worden uiteengezet.

 

Uiteraard kan het bestuur aan het informatiedossier ook andere stukken, gegevens of inlichtingen dan deze voorzien in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad toevoegen indien het dit nuttig acht.

Terug naar boven

 

49. Op welke manier moeten stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad worden bezorgd?

(artikel 20, tweede lid Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Het bestuur kan deze opnemen in de aanvraag, ofwel voegen bij het informatiedossier zelf, ofwel kan het bestuur verwijzen naar een elektronische vindplaats waarop deze rechtstreeks en integraal kunnen worden geraadpleegd.

Terug naar boven

 

50. Moeten stukken, gegevens of inlichtingen die op een elektronische vindplaats beschikbaar zijn via een postzending op papieren drager worden bezorgd?

Neen. In dat geval volstaat het dat het bestuur verwijst naar een elektronische vindplaats waarop deze rechtstreeks en integraal kunnen worden geraadpleegd.

 

Terug naar boven

 

51. Mijn bestuur krijgt een aangetekende brief van de Raad met de vraag om met toepassing van artikel 21 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad het informatiedossier te vervolledigen met welbepaalde stukken, gegevens of inlichtingen. Wat is dit en wat moet mijn bestuur doen?

Artikel 15 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad regelt de minimaal vereiste samenstelling van het informatiedossier bij een adviesaanvraag betreffende een herstelvordering (hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 46).

 

Wanneer na ontvangst van de adviesaanvraag blijkt dat het informatiedossier onvolledig is, krijgt uw bestuur overeenkomstig artikel 21, tweede lid van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad de mogelijkheid om het dossier binnen de 8 dagen te vervolledigen.

 

De brief heeft tot doel uw bestuur in staat te stellen het informatiedossier nog aan te vullen met stukken, gegevens of inlichtingen die ontbreken.

 

In de brief die uw bestuur ontvangt, wordt gepreciseerd over welke stukken, gegevens of inlichtingen het gaat. Uw bestuur bezorgt de gevraagde stukken, gegevens of inlichtingen binnen de 8 dagen.

Terug naar boven

 

52. Mijn bestuur stuurt op vraag van de Raad stukken na ter regularisatie van het dossier, maar buiten de termijn van 8 dagen bedoeld in artikel 21, tweede lid van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad. Wat is de sanctie?

(artikel 21, derde lid Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Er wordt ter zake een onderscheid gemaakt tussen stukken die betrekking hebben op het recht en andere stukken.

 

Indien het laattijdig bezorgd stuk betrekking heeft op het recht, zoals bv. de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg of uitvoeringsplan of bv. verkavelingsvoorschriften, dan houdt de Raad hiermee rekening in zijn besluitvorming.

 

Overeenkomstig artikel 6.3.7, § 2, tweede lid, 1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening toetst de Raad elke adviesaanvraag aan het recht. Artikel 21 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad moet samen gelezen worden met deze bepaling. Derhalve kan de Raad het geldende (objectief) recht niet naast zich neerleggen in zijn besluitvorming.

 

Let wel: de voorwaarde is wel dat de Raad nog in de mogelijkheid verkeert het dossier te behandelen zonder afbreuk te doen aan de vereiste van een zorgvuldige voorbereiding van het advies of aan de rechten van de belanghebbende(n) die door de Raad schriftelijk word(t)(en) gehoord.

 

Andere laattijdig bezorgde stukken worden geweerd uit de besluitvorming met toepassing van artikel 21, derde lid van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad, dat bepaalt dat de adviesaanvraag moet worden beoordeeld aan de hand van het informatiedossier zoals het is samengesteld op het ogenblik dat de regularisatietermijn is verstreken.

 

Betreft het een stuk dat geen betrekking heeft op het recht, dan zal dit stuk met toepassing van artikel 21, derde lid van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad uit de besluitvorming van de Raad moeten worden geweerd. Dit betreft bv. een stuk dat betrekking heeft op de feitenvinding (zoals bv. een fotoreportage).

Terug naar boven

 

53. Mijn bestuur krijgt een e-mail of een aangetekende brief met de vraag om met toepassing van artikel 10, § 3 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad het informatiedossier te vervolledigen met welbepaalde stukken, gegevens of inlichtingen. Wat is dit en wat moet mijn bestuur doen?

Artikel 10, § 3 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voorziet dat bij de bevoegde overheden stukken, gegevens of inlichtingen kunnen worden opgevraagd nuttig voor de behandeling van het dossier.

 

De telefonische oproep, de e-mail, de gewone of aangetekende brief heeft tot doel bepaalde stukken, gegevens of inlichtingen te bezorgen aan de Raad, zodat met een zo groot mogelijke kennis van zaken advies wordt verleend.

 

In de hierboven vermelde vraag wordt gepreciseerd welke stukken, gegevens of inlichtingen die uw bestuur heeft, nuttig kunnen zijn bij de beoordeling van de adviesaanvraag.

 

In het geval van een e-mail of gewone brief wordt meestal niet nader bepaald binnen hoeveel dagen uw bestuur de stukken, gegevens of inlichtingen moet bezorgen.

 

In het geval van een aangetekende brief wordt wel steeds nader bepaald binnen hoeveel dagen uw bestuur de stukken, gegevens of inlichtingen moet bezorgen.

Terug naar boven

 

54. Hoe stuurt mijn bestuur de gevraagde stukken op?

De toezending van de stukken bij beveiligde zending is niet op straffe van onontvankelijkheid voorgeschreven en betreft derhalve geen substantiële pleegvorm.

 

In geval van een andere dan aangetekende zending kan uw bestuur bij betwisting van de ontvangst van stukken evenwel in bewijsnood komen te staven dat de gevraagde stukken werden overgelegd.

 

In de administratieve praktijk trekt de Hoge Raad voluit de kaart van de elektronische communicatie. De stukken mogen worden aangeleverd via e-mail, of via een melding van een link naar de elektronische vindplaats, of op papieren drager, of via een combinatie van één of meerdere van deze wijzen.

 

Zo volstaat het bv. dat uw bestuur:
1. een e-mail stuurt met een link naar een website waar bepaalde stukken (bv. een grafisch plan van een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan) kunnen worden geraadpleegd;
2. stukken op papieren drager via een klassieke verzending via de post bezorgt;
3. stukken onder de vorm van gedigitaliseerde bestanden aanreikt als bijlagen bij een e-mail onder een gebruikelijk bestandsformaat zoals .pdf, .jpeg, .doc(x),…

Terug naar boven

 

55. Kan mijn bestuur naderhand uit eigen beweging nog bijkomende stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad bezorgen?

(artikel 4, § 3 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Neen. Tenzij de Raad, de voorzitter of de vaste secretaris uitdrukkelijk om de overlegging ervan heeft verzocht, worden niet in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voorziene stukken, gegevens en inlichtingen uit de besluitvorming geweerd. Het is derhalve niet aangewezen dat het bestuur hangende de adviesprocedure voor de Raad uit eigen beweging nog bijkomende stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad bezorgt. Indien noodzakelijk kan best vooraf telefonisch contact worden opgenomen met de dossierbehandelaar of de vaste secretaris.

Terug naar boven

 

56. Mijn bestuur dient een opeenvolgende herstelvordering in. Moet mijn bestuur opnieuw alle stukken bezorgen?

(artikel 17, tweede lid Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Heeft het bestuur reeds een adviesaanvraag over een herstelvordering bij de Raad ingediend en dateert het advies van de Raad van ná 1 september 2009, dan kan het bestuur zich beperken tot een verwijzing naar het destijds overgelegde informatiedossier, mits aanvulling/actualisering zodat voldaan is aan de in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voorziene minimale inhoud van het informatiedossier bij een adviesaanvraag over een opeenvolgende herstelvordering (hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 47).

 

Terug naar boven

 

57. Hangende de adviesaanvraag bij de Raad werd vrijwillig herstel geboden. Kan mijn bestuur de herstelvordering intrekken en zo ja, hoe dient dit te gebeuren?

In dat geval is de herstelvordering zonder voorwerp geworden. Opdat de Raad niet onnodig advies zou verlenen, wordt het bestuur gevraagd de Raad hiervan op de hoogte te brengen en de adviesaanvraag in te trekken.

 

De brief tot intrekking mag worden aangeleverd via e-mail, per fax of via de post.


In het geval het bestuur de adviesaanvraag intrekt, of op basis van de beschikbare stukken en gegevens blijkt dat er vrijwillig herstel is geboden, dan zal de Raad hiervan akte nemen en vaststellen dat er geen aanleiding meer is om nog advies uit te brengen.

Terug naar boven

 

58. Kan mijn bestuur schriftelijk reageren op een gemotiveerde nota?

(artikel 4, § 3 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Neen. Tenzij de Raad, de voorzitter of de vaste secretaris uitdrukkelijk om de overlegging ervan heeft verzocht, worden niet in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voorziene stukken, gegevens en inlichtingen uit de besluitvorming geweerd. Het is derhalve niet zinvol dat het bestuur hangende de adviesprocedure voor de Raad schriftelijk reageert op een gemotiveerde nota.

 

Wel kan uw bestuur de plenaire vergadering van de Raad bijwonen om stemadvies te verlenen, zodat mondeling tijdens de vergadering desgevallend kan worden gereageerd op de in de gemotiveerde nota ontwikkelde argumentatie.

 

Ten slotte is het ook mogelijk dat het bestuur stukken neerlegt op de vergadering.

Terug naar boven

 

59. Ik wil voor mijn bestuur de vergadering van de Raad bijwonen om stemadvies te verlenen. Wat doe ik daarvoor?

Op http://www.hogeraadvoordehandhavingsuitvoering.be kunt u zich aanmelden (doorklikken via ‘aanmeldformulier)’.

De aanmelding is niet verplicht, maar wordt sterk aanbevolen om praktische en organisatorische redenen.

 

Terug naar boven

 

60. Hoe verloopt de vergadering van de Raad?

Wie zich heeft aangemeld, krijgt in principe de dag vóór de vergadering via e-mail de agenda van de vergadering met daarop het uur waarop u verwacht wordt. U wordt ook tijdig verwittigd waar precies de vergadering van de Raad plaatsvindt.

 

De agenda wordt ook steeds uitgehangen in de wachtruimte naast de vergaderzaal.

 

De zaken worden behandeld in de volgorde van de agenda. U neemt plaats in de wachtruimte. Wanneer uw zaak wordt behandeld, wordt u binnen uitgenodigd door een secretariaatsmedewerker van de Raad.

 

Een secretariaatsmedewerker geeft eerst toelichting bij het dossier. Hierna krijgt u het woord. U kunt het standpunt van uw bestuur uiteenzetten om vervolgens stemadvies te geven. Indien u zich heeft aangemeld voor meerdere dossiers van uw bestuur, worden de dossiers aaneensluitend besproken.

 

Daarna neemt de Raad de zaak in beraad en wordt u gevraagd de vergadering te verlaten.

 

Doorgaans wordt de beslissing dezelfde dag genomen. Na administratieve verwerking (binnen de 14 dagen) wordt de beslissing aan het betrokken bestuur en aan de belanghebbenden die in de zaak zijn gehoord of aan de personen die bij de Raad op grond van het dossier bekend zijn, toegestuurd.

Terug naar boven

 

61. Het dossier werd geseponeerd door het Openbaar Ministerie zonder dat de door de Raad positief geadviseerde herstelvordering werd ingediend bij het Openbaar Ministerie. Moet mijn bestuur opnieuw advies inwinnen indien zij de herstelvordering via burgerrechterlijke weg wenst in te leiden?

Neen. In dit geval is er immers geen sprake van een verandering van rechtsingang en dus van een opeenvolgende herstelvordering, vermits de positief geadviseerde herstelvordering niet werd ingediend bij het Openbaar Ministerie. Er moet in dit geval dan ook niet opnieuw advies worden gevraagd aan de Raad.

  

Terug naar boven

 

VANUIT HET OOGPUNT VAN DE BURGER: HET SCHRIFTELIJK HOREN

62. Kan ik worden gehoord door de Raad?

(artikel 6.3.13, § 3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

De Raad kan beslissen belanghebbenden schriftelijk te horen. Belanghebbenden kunnen bv. zijn de vermoedelijke overtreder zelf, een buurman die hinder ondervindt van de bouwovertreding of een lokale belangenvereniging.

 

De Raad beslist autonoom of iemand schriftelijk wordt gehoord.

Terug naar boven

 

63. Ik krijg een uitnodiging om een gemotiveerde nota in te dienen in het kader van het schriftelijk horen. Wat is dat?

U krijgt via een ter post aangetekende postzending een uitnodiging om een gemotiveerde nota in te dienen in het kader van het schriftelijk horen.



Dit betekent dat de Raad u de mogelijkheid biedt uw argumenten schriftelijk uiteen te zetten.



U kunt, maar hoeft niet, van deze mogelijkheid gebruik te maken. De door de Raad gehoorde belanghebbenden ontvangen steeds een afschrift van het advies, ook als zij geen gemotiveerde nota hebben ingediend.

Terug naar boven

 

64. Hoe kan ik mijn argumenten schriftelijk meedelen? Hoe dien ik een gemotiveerde nota in het kader van het schriftelijk horen in?

(artikel 7, §§ 3 en 4 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

U wordt uitgenodigd per aangetekende brief om een gemotiveerde nota in het kader van het schriftelijk horen in te dienen.

 

U kunt uiterlijk binnen de 8 dagen een gemotiveerde nota indienen. Deze moet worden verstuurd naar de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering op het volgende adres:

 

Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering
p.a. Koningin Maria Hendrikaplein 70 bus 95
9000 Gent

 

Deze nota mag:
1. per gewone of per aangetekende brief worden verstuurd;
2. ofwel tegen ontvangstbewijs worden afgeven op het permanent secretariaat van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, gevestigd op het hierboven vermelde adres.
U moet een afschrift (kopie) van deze nota bezorgen per aangetekende brief of via afgifte tegen ontvangstbewijs aan het bestuur dat wordt vermeld in de aangetekende brief die u van de Raad hebt gekregen.

 

U mag stukken voegen bij uw nota. Een afschrift (kopie) van deze stukken moet ook worden verstuurd aan het bestuur dat wordt vermeld in de aangetekende brief die u van de Hoge Raad hebt gekregen.

 

De gemotiveerde nota moet worden ondertekend door de belanghebbende die door de Raad werd uitgenodigd om te worden gehoord of door diens raadsman. Indien uw nota niet ondertekend is, dan kan geen rekening worden gehouden met uw nota.

 

Belangrijk!

 

U moet aan de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering het bewijs van de aangetekende zending of het ontvangstbewijs bezorgen dat staaft dat u een afschrift (kopie) van de nota per aangetekende brief of via afgifte tegen ontvangstbewijs hebt bezorgd aan het bestuur dat het advies vraagt en dat wordt vermeld in de aangetekende brief die u van de Raad hebt gekregen. Dit is dus uiteraard niet het ontvangstbewijs van de verzending van de brief aan de Raad!

 

Indien u dit bewijs niet bezorgt aan de Raad, kan in de regel geen rekening worden gehouden met uw nota.

 

Indien dit bewijs ontbreekt bij uw nota, kunt u daarvoor een schriftelijke herinnering krijgen.
Let wel: uiterlijk de dag vóór de geplande vergadering moet het bewijs bezorgd zijn aan de Raad. Ontvangt de Raad het bewijs pas ná de vergadering, dan kan de Raad uiteraard geen rekening hebben gehouden met uw nota.

Terug naar boven

 

65. Kan ik mij laten vertegenwoordigen door een raadsman voor het indienen van mijn gemotiveerde nota in het kader van het schriftelijk horen en moet er dan een schriftelijke volmacht worden voorgelegd?

Ja. U mag zich laten bijstaan en vertegenwoordigen door een raadsman naar keuze. Deze persoon kan in uw naam en voor uw rekening een gemotiveerde nota indienen.

 

Deze raadsman kan een vriend, een familielid, een advocaat, of eender welke andere persoon zijn.

 

Is uw raadsman advocaat of advocaat-stagiair, dan wordt hij geacht u te vertegenwoordigen en moet hij geen schriftelijke volmacht voorleggen.

 

Is uw raadsman geen advocaat of advocaat-stagiair (bv. een jurist die niet als advocaat is ingeschreven bij de balie, een architect, een familielid, een vriend, een kennis,…), dan moet hij beschikken over een schriftelijke volmacht van u. Deze schriftelijke volmacht moet worden gevoegd bij uw nota.

 

Terug naar boven

 

66. Ik krijg een brief van de Raad met de vraag om het bewijs van beveiligde zending aan het aangewezen bestuur te bezorgen. Wat is dit?

(artikel 7, § 4 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

U moet een afschrift (kopie) van uw nota bezorgen per aangetekende brief of via afgifte tegen ontvangstbewijs aan het bestuur dat het advies vraagt en dat wordt vermeld in de aangetekende brief die u van de Raad hebt gekregen.

 

Om  te kunnen nagaan of het aangewezen bestuur wel degelijk een kopie van uw nota ontvangen heeft, moet u aan de Raad het bewijs van de aangetekende zending of het ontvangstbewijs bezorgen dat staaft dat u een afschrift (kopie) van de nota per aangetekende brief of via afgifte tegen ontvangstbewijs hebt bezorgd aan het bestuur dat het advies vraagt en dat wordt vermeld in de aangetekende brief die u van de Raad hebt gekregen.

 

Indien dit bewijs ontbreekt bij uw nota, kunt u daarvoor een schriftelijke herinnering krijgen.

 

U moet dit bewijs dan zo snel mogelijk en uiterlijk de dag vóór de geplande vergadering bezorgen. Ontvangt de Raad het bewijs pas ná de vergadering, dan kan de Raad uiteraard geen rekening hebben gehouden met uw nota.

 

Terug naar boven

 

67. Mag ik het bewijs van beveiligde zending aan het aangewezen bestuur achteraf opsturen en mag dit ook per e-mail of per fax?

Ja, dit bewijs mag achteraf worden toegestuurd, zij het dat dit bewijs wel zo snel mogelijk moet worden bezorgd en uiterlijk de dag vóór de geplande vergadering. Het bewijs van beveiligde zending kan per gewone of per aangetekende brief, maar ook per e-mail worden bezorgd.

Belangrijk!

U moet steeds de referte van de Raad vermelden, zodat het voor de secretariaatsmedewerkers duidelijk is bij welke gemotiveerde nota dit bewijs van beveiligde zending hoort. Indien niet kan achterhaald worden bij welke gemotiveerde nota dit bewijs hoort, dan kan er in de regel geen rekening worden gehouden met uw nota!

 

Terug naar boven

 

68. Kan ik voorafgaand aan het indienen van mijn nota het dossier komen inzien en zo ja, in welke stukken heb ik inzage en kan ik desgevallend een kopie hiervan bekomen?

Ja. U of uw raadsman kunnen het dossier raadplegen.

 

Is uw raadsman geen advocaat, dan zal hij een schriftelijke volmacht moeten kunnen voorleggen waarmee hij staaft dat hij voor u optreedt.

 

Om inzage te nemen van het dossier neemt u of uw raadsman best op voorhand telefonisch contact op met het secretariaat:

 

tel.: 02 553 17 93

 

Indien u dit verkiest, zal er u een elektronische link per e-mail worden bezorgd die u toelaat de stukken van het dossier te raadplegen. Om organisatorische redenen verdient dit de voorkeur.

 

Indien u dit uitzonderlijk toch zou verkiezen, kan het dossier fysiek worden geraadpleegd op het volgende adres:

 

Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering
p.a. Koningin Maria Hendrikaplein 70 bus 95
9000 Gent

 

Om organisatorische redenen maakt u dan wel best op voorhand een telefonische afspraak om het dossier fysiek te komen inzien.

 

U kunt inzage krijgen van alle stukken van het dossier met inbegrip van de processen-verbaal (en hun bijlagen) waarvan een ‘eerste openbaarmaking’ blijkt, dit wilt zeggen processen-verbaal waarvan uit het proces-verbaal (of andere stukken, bv. zendbrieven) blijkt dat ze al eerder aan de betrokkene zijn bezorgd door de verbalisant, of andere personen. U kunt daarentegen geen inzage krijgen van de processen-verbaal (en hun bijlagen) waarvan geen ‘eerste openbaarmaking’ blijkt en wanneer niet uit het dossier blijkt dat het strafonderzoek is afgerond.

 

U kunt een kopie krijgen van alle stukken die u mag inzien, met uitzondering van de bouwplannen, omdat deze auteursrechtelijk beschermd zijn. Om die reden worden de bouwplannen nooit elektronisch ter beschikking gesteld en moeten die ter plaatse worden ingezien.

   


Terug naar boven

 

69. Hoe wordt de termijn van 8 dagen berekend?

De termijn wordt berekend overeenkomstig artikel 5 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad.

 

De termijn begint te lopen vanaf de derde werkdag na de dag waarop de aangetekende brief van de Raad aan de postdiensten werd overhandigd.

 

Is de laatste dag een zaterdag, een zondag, een wettelijke feestdag of een nationale sluitingsdag van de postdiensten, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag (geen zaterdag, zondag of feestdag).

 

Met een nota die te laat is ingediend, wordt in de regel geen rekening gehouden.

 

Voorbeeld 1:

 

Geen enkele wettelijke feestdag komt in dit voorbeeld voor.

 

Op maandag 1 juli wordt de aangetekende brief van de Raad aan de postdiensten overhandigd. Vanaf de derde werkdag na deze dag, dit is donderdag 4 juli, begint de termijn van 8 dagen te lopen. Deze termijn eindigt in dit voorbeeld op donderdag 11 juli. Vermits de laatste dag geen zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt de termijn niet verlengd. De laatste dag om een nota te versturen is derhalve donderdag 11 juli.

 

Voorbeeld 2:

 

Woensdag 15 augustus is een wettelijke feestdag.

 

Op dinsdag 14 augustus wordt de aangetekende brief van de Raad aan de postdiensten overhandigd. De derde werkdag na deze dag is maandag 20 augustus. Immers, 15 augustus (wettelijke feestdag) en zaterdag en zondag zijn geen werkdagen. De termijn van 8 dagen begint derhalve te lopen vanaf maandag 20 augustus en eindigt in dit voorbeeld op maandag 27 augustus. Vermits de laatste dag geen zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt de termijn niet verlengd. De laatste dag om een nota tijdig te versturen is dus maandag 27 augustus.

 

Schematische voorstelling van de termijnberekening:

 

Schema 1

 

Let op: geen enkele wettelijke feestdag komt in dit voorbeeld voor!

 

DAP = datum waarop de aangetekende brief van de Raad wordt bezorgd aan de post
1, 2 = berekening van de werkdagen (alle dagen, behalve zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen)
EDT = derde werkdag na aanbieden brief bij de post en eerste dag van de termijn van 8 (kalender)dagen waarbinnen de gemotiveerde nota moet worden verstuurd.

 

 

Schema 2

Let op: in dit voorbeeld komt een wettelijke feestdag (1 mei) voor!

In onderstaande voorbeelden ziet u dat:

- bij verzending van de uitnodigingsbrief tot horen van de Raad op donderdag 26 april 2012, de betrokkene uiterlijk tot woensdag 9 mei heeft om een gemotiveerde nota toe te sturen aan de Raad;
- bij verzending van de uitnodigingsbrief tot horen van de Raad op woensdag 25 april 2012, de betrokkene uiterlijk tot maandag 7 mei heeft om een gemotiveerde nota toe te sturen aan de Raad.

 

 

Terug naar boven

 

70. Wat als ik door omstandigheden mijn gemotiveerde nota niet binnen de termijn van 8 dagen kan indienen?

(artikel 7, § 3, tweede lid Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)


Laattijdige nota’s worden uit de besluitvorming geweerd, tenzij er sprake is van overmacht of onoverkomelijke dwaling.

 

De datum waarop de uitnodiging tot horen bij de postdiensten is afgehaald, speelt geen rol, behalve in het geval van overmacht of onoverkomelijke dwaling.


 
Overmacht betreft een onvoorzienbare en niet afwendbare gebeurtenis, die in casu het indienen van de nota binnen de voorziene termijn van 8 dagen onmogelijk maakt.


 
Onoverkomelijke dwaling houdt in dat elk redelijk en voorzichtig persoon deze dwaling zou hebben begaan.

 

In de nota zal een reden van overmacht of onoverkomelijke dwaling moeten worden opgegeven die ertoe heeft geleid dat de nota niet binnen de voorziene termijn van 8 dagen kon worden ingediend. Dit zal alleszins moeten worden gestaafd aan de hand van stukken. De Raad zal dan oordelen of er in voorkomend geval sprake is van overmacht of onoverkomelijke dwaling.

 

Terug naar boven

  

 
71. Kan ik de Raad om uitstel vragen m.b.t. het indienen van mijn gemotiveerde nota?

In beginsel niet. Noch de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, noch het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voorzien in het verlenen van uitstel.

 

Het is de uitdrukkelijke wil van de decreetgever om op korte termijn – dit is binnen de zestig dagen – uitspraak te doen over een voorgelegde adviesaanvraag.

 

Hieruit volgt dat in beginsel het toekennen van enig uitstel van de mogelijkheid om een gemotiveerde nota in te dienen in het kader van het schriftelijk horen, niet te verzoenen is met de voormelde, door de decreetgever gewilde spoedbehandeling van de voorliggende adviesaanvraag.

 

Er geldt enkel een uitzondering indien de persoon die werd uitgenodigd om een gemotiveerde nota in te dienen in het kader van het schriftelijk horen, aannemelijk maakt dat hij zich in een toestand van overmacht bevindt gedurende de termijn die hem is toegekend om zijn verweer in te dienen. De Raad zal dan oordelen of er in voorkomend geval sprake is van een dwingende omstandigheid die een uitstel of een verlenging van de termijn van acht dagen noodzaakt.

 

Terug naar boven

 
72. Met welke argumenten uiteengezet in een gemotiveerde nota kan de Raad geen rekening houden?

De Raad kan alleszins geen rekening houden met de volgende argumenten:


1. “Ik zal een regularisatieaanvraag indienen” of “De inbreuk is regulariseerbaar.” Immers, dit belet niet dat er op vandaag nog steeds sprake is van een bouwovertreding en de illegale handeling(en) nog steeds strijdig zijn met de vergunningsplicht en/of de bestemmingsvoorschriften.
2. “Ik zal de constructie afbreken” of “Ik zal de herstelmaatregel uitvoeren.” Met dergelijke intenties houdt de Raad geen rekening.
3. “Ik was het niet. De bouwinbreuk werd begaan door een andere persoon.” Immers, een herstelvordering wordt “in rem” geformuleerd zodat deze argumenten van geen tel zijn in het kader van de adviesprocedure. “In rem” betekent dat de vordering slaat op het goed waarop het bouwmisdrijf rust en dus niet op de persoon. Wie de bouwinbreuk begaan heeft, is van geen belang in het kader van de adviesprocedure bij de Raad.
4. “Er was geen kwaad opzet” of “Ik ben niet te kwader trouw.” Immers, dit verhindert niet dat er een bouwovertreding werd vastgesteld en dat de illegale handeling(en) nog steeds gepaard gaan met de niet-naleving van de vergunningsplicht en/of de bestemmingsvoorschriften.
5. “De vergunningverlenende overheid heeft geen goede beoordeling van de goede ruimtelijke ordening gemaakt bij de weigering van een bouwaanvraag of regularisatieaanvraag.” Immers, de beoordeling of de vergunningverlenende overheid haar appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, komt niet toe aan de Raad.
6. “Ik wil uitstel om tegen een latere datum de constructie af te breken.” De hersteltermijn die in de herstelvordering wordt aangegeven, is een verzoek aan de rechter en wordt door de rechter bepaald in het vonnis. De Raad beschikt niet over de bevoegdheid om uitstel van de hersteltermijn te verlenen.
7. “De redelijke termijn is overschreden.” Deze beoordeling komt niet toe aan de Raad maar aan de rechter.
8. “De feiten zijn verjaard” of “De bouwovertreding is verjaard.” De Raad spreekt zich nooit uit over de strafrechtelijke verjaring van de feiten waarop de herstelmaatregel is geënt. De Raad heeft immers geen inzage in het volledige strafdossier en kan derhalve zelfs niet beoordelen of er sprake is van verjaring. Overigens behoort dit niet tot de essentie van de advisering.
9. “De herstelvordering is verjaard”. De Raad doet geen uitspraak over de verjaring van het vorderingsrecht van de bevoegde overheid, aangezien dit niet tot de essentie van de advisering behoort en deze beoordeling toekomt aan de rechter.
10. "De feiten zijn nooit gebeurd" of "Er zijn geen inbreuken". Gelet op de bijzondere bewijswaarde van een proces-verbaal overeenkomstig het toen geldende artikel 6.1.5 (thans artikel 6.2.4) Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, moet worden aangenomen dat in het kader van de adviesprocedure het onderzoek naar de materialiteit van de feiten niet aan de Raad toekomt. Enkel als het tegendeel wordt bewezen, kunnen de vaststellingen van een proces-verbaal met bijzondere bewijswaarde worden ontkracht.


 
Voor meer voorbeelden kan worden verwezen naar de verslagboeken van de Raad.

 

Terug naar boven

 

73. Kan ik een verlenging vragen van de gevorderde hersteltermijn?

Neen. De Raad beschikt niet over de bevoegdheid om uitstel van de hersteltermijn te verlenen. Hiervoor kan ook worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 73, punt 6.

 

Terug naar boven

 

74. Kan ik mondeling mijn argumenten toelichten op de vergadering van de Raad?

Neen. De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorziet enkel de mogelijkheid om belanghebbenden schriftelijk te horen.

 

Terug naar boven

 

75. Mag ik zelf aanwezig zijn op de vergadering van de Raad?

Neen. Dit is niet voorzien in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, noch in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad. Enkel de bevoegde overheden hebben de mogelijkheid om de vergadering van de Raad bij te wonen teneinde stemadvies te verlenen.

 

Terug naar boven

 

76. Ik kreeg de mogelijkheid om schriftelijk te worden gehoord. Verneem ik daarna nog iets?

(artikel 6.3.11, § 3, eerste lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Ja. Er zal u een afschrift van het advies worden toegestuurd. In de regel gebeurt dit binnen de twee weken na het plaatsvinden van de plenaire vergadering van de Raad. Hiervoor kan ook worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 64.

 

Terug naar boven

 

77. Ik wil dat het advies wordt betekend aan mijn raadsman. Wat moet ik hiervoor doen?

Indien u wenst dat het advies wordt betekend aan uw raadsman, dan zal uit uw gemotiveerde nota moeten blijken dat u woonplaatskeuze doet bij uw raadsman. In geval van woonplaatskeuze, zal het advies worden betekend op het adres waar u woonplaatskeuze doet. U ontvangt dan uiteraard zelf geen afschrift meer van het advies op uw adres.
 

Terug naar boven

 

78. Het advies van de Raad is negatief. Wat nu?

(artikel 6.3.10, §1 en artikel 6.3.11, § 3, derde lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Zonder positief advies van de Raad kan de herstelvordering niet op ontvankelijke wijze worden ingediend bij het Openbaar Ministerie of de burgerlijke rechtbank.

Het betrokken bestuur of een derde-belanghebbende kan tegen de afgifte van een negatief advies door de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering een gemotiveerd verzoek tot heroverweging indienen.

 

Let wel: opdat er sprake zou zijn van een verzoek tot heroverweging, moet het voorwerp van de adviesaanvraag hetzelfde zijn; m.a.w. het moet gaan om dezelfde herstelmaatregel en (in substantie) dezelfde feiten als deze die eertijds aan de orde waren.

 

Wenst het bestuur na de afgifte van een negatief advies een aangepaste herstelvordering voor advies voor te leggen, waarbij een andere herstelmaatregel wordt beoogd of die (gedeeltelijk) geënt is op andere feiten, dan kan een nieuwe adviesaanvraag worden ingediend.

 

Terug naar boven

 

79. Het advies van de Raad is positief. Wat nu?

(artikel 6.3.10, §1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

In dat geval kan de bevoegde overheid de herstelvordering indienen bij het Openbaar Ministerie of bij de burgerlijke rechtbank.

 

In theorie is een willig beroep mogelijk (hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 81).

 

Terug naar boven

 

80. Kan ik beroep aantekenen tegen het advies van de Raad?

Een derde-belanghebbende kan tegen de afgifte van een negatief advies door de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering een gemotiveerd verzoek tot heroverweging indienen.

 

De vermoedelijke overtreder zelf kan geen beroep doen op de rechtsfiguur van het gemotiveerd verzoek tot heroverweging en dit bij gebreke aan een decretale grondslag ter zake.

 

In theorie kan de vermoedelijke overtreder tegen een positief advies een willig beroep indienen. De Raad is niet verplicht om dit beroep te beantwoorden. In de regel besluit de Raad om op een willig beroep niet in te gaan.

 

Indien het uw bedoeling is om bij de Raad een willig beroep in te dienen tegen een positief advies, dan moet u de Raad, bij voorkeur bij aangetekende brief, op omstandige wijze uiteenzetten waarom u niet akkoord gaat met dit advies en waarom naar uw mening de Raad tot nieuwe inzichten moet komen.

 

Het is aangewezen niet uw eventuele, eerder ingediende gemotiveerde nota te hernemen, want die redenen zijn reeds in het kader van het eerste advies meegenomen in het onderzoek door de Raad.

 

Aan uw omstandige uiteenzetting moet u tevens uw overtuigingstukken voegen die volgens u uw standpunt ondersteunen. De stukken die u reeds zou hebben bezorgd, moeten niet meer worden toegestuurd, daar zij reeds het voorwerp van het eerste onderzoek zijn geweest.
Zonder deze essentiële gegevens zal de Raad niet onderzoeken of hij wenst in te gaan op uw willig beroep. De gegevens en stukken die u in het raam van dit willig beroep meedeelt, zullen tevens voor advies worden voorgelegd aan de bevoegde overheid.

 

Kortom, vooraleer de Raad in onderzoek neemt of hij al dan niet ingaat op een willig beroep, moeten nieuwe elementen worden aangebracht en een omstandige uiteenzetting waarom de Raad zijn zienswijze in het licht van die nieuwe elementen zou moeten veranderen ten opzichte van het eerste advies.

 

Het hernemen van reeds aangevoerde argumenten of enkel aanvoeren van nieuwe argumenten, volstaat niet!

 

Terug naar boven

 

VRAGEN I.V.M. DE GEMOTIVEERDE VERZOEKEN TOT HEROVERWEGING

ALGEMENE VRAGEN

81. Wat houdt een gemotiveerd verzoek tot heroverweging in?

(artikel 6.3.11, § 3, derde lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Een verzoek tot heroverweging is een georganiseerd administratief beroep waarbij om legaliteits- en/of opportuniteitsredenen de Raad wordt verzocht een advies te heroverwegen. Het betrokken bestuur of een derde-belanghebbende kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging indienen tegen de afgifte door de Hoge Raad van het Handhavingsbeleid van een negatief advies.

 

Het betreft:

- de adviezen betreffende de herstelvordering en de ambtshalve uitvoering;
- de adviezen betreffende opeenvolgende herstelvorderingen;
- de adviezen betreffende sommige betekeningen van vonnissen en arresten.

 

Let wel: opdat er sprake zou zijn van een verzoek tot heroverweging, moet het voorwerp van de adviesaanvraag hetzelfde zijn; m.a.w. het moet gaan om dezelfde herstelmaatregel en (in substantie) dezelfde feiten als deze die eertijds aan de orde waren.

Terug naar boven

 

82. Kan de vermoedelijke overtreder een gemotiveerd verzoek tot heroverweging indienen bij de Raad?

(artikel 6.3.11, § 3, derde lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Neen. Enkel het betrokken bestuur of een derde-belanghebbende kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging indienen.

Terug naar boven

 

83. Is een heroverweging van een niet-eensluidend advies mogelijk?

Neen. Enkel tegen negatieve adviezen die door de Raad werden verleend ingevolge adviesaanvragen die dateren vanaf 31 december 2010 is een gemotiveerd verzoek tot heroverweging mogelijk.

 

De heroverweging van een niet-eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsook van een niet-eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid is derhalve uitgesloten.

 

Terug naar boven

 
84. Kan het betrokken bestuur, in geval van een eerder niet-eensluidend advies, een nieuwe adviesaanvraag indienen?

Ja. Dat voor adviesaanvragen van ná 31 december 2010 een gemotiveerd verzoek tot heroverweging mogelijk is, sluit niet uit dat het betrokken bestuur voor alle eerdere niet-eensluidende adviezen op grond van de algemene principes van het bestuursrecht een nieuwe adviesaanvraag kan indienen. Dit betreft dan geen verzoek tot heroverweging in de zin van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, maar een nieuwe adviesaanvraag die dan ook als dusdanig zal worden behandeld.

 

Terug naar boven

 

85. Is er nog steeds sprake van een gemotiveerd verzoek tot heroverweging indien het betrokken bestuur na een eerder negatief advies kiest voor een andere herstelmaatregel en/of de herstelmaatregel (deels) ent op andere feiten?

Neen. In dat geval betreft het een nieuwe adviesaanvraag.

 

Enkel indien blijkt dat het betrokken bestuur dezelfde herstelmaatregel geënt op in substantie dezelfde feiten beoogt, en het bestuur nieuwe feitelijke of juridische gegevens aanreikt, nieuwe motieven naar voor brengt of redenen van opportuniteit inroept om toch positief advies te verlenen, is er sprake van een gemotiveerd verzoek tot heroverweging.

 

Hiervoor kan ook worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 81.

 

Voor een meer omstandige uitleg, kan worden verwezen naar de verslagboeken  van de Raad.

 

Terug naar boven

 

 
86. Binnen welke termijn moet de Raad zich uitspreken over een gemotiveerd verzoek tot heroverweging?

Het gemotiveerd verzoek tot heroverweging betreft een georganiseerd beroep. De Raad moet het verzoek binnen een redelijke termijn beantwoorden. Organisatorisch wordt gestreefd naar eenzelfde behandeling als de op termijn gestelde adviesaanvragen betreffende een (opeenvolgende) herstelvordering waarvoor een adviestermijn geldt van 60 dagen.

 

Terug naar boven

 

BEOORDELINGSKADER

Zie beoordelingskader herstelvordering
 

ADVIESPROCEDURE

VANUIT HET OOGPUNT VAN HET BESTUUR

87. Hoe wordt een gemotiveerd verzoek tot heroverweging aan de Raad gericht?

(artikel 4, § 1 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat adviesaanvragen betreffende (opeenvolgende) herstelvorderingen moeten worden gevraagd bij beveiligde zending (o.a. een aangetekend schrijven of een afgifte tegen ontvangstbewijs). Dit begrip is gedefinieerd in artikel 1.1.2, 3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.


 
In het geval van een gemotiveerd verzoek tot heroverweging, is de wijze van kennisgeving niet decretaal bepaald. In artikel 4, § 1 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad wordt bepaald dat alle aanvragen, verzoeken en stukken steeds aan de Raad moeten worden gericht bij beveiligde zending. Dit betreft geen substantiële pleegvorm.

 

Gezien de Raad in de administratieve praktijk voluit de kaart trekt van de elektronische communicatie, bepaalt het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad dat de bevoegde overheden bij een papieren kennisgeving tevens een gehele of gedeeltelijke digitale kopie kunnen aanreiken van de aanvraag.

 

Terug naar boven

 

 
88. Binnen welke termijn moet de Raad advies verlenen?

In tegenstelling tot de adviesaanvragen betreffende (opeenvolgende) herstelvorderingen, bestaat er inzake gemotiveerde verzoeken tot heroverweging geen termijnvereiste. Organisatorisch wordt gestreefd naar eenzelfde behandeling als de op termijn gestelde adviesaanvragen over een (opeenvolgende) herstelvordering waarvoor een adviestermijn geldt van 60 dagen.
 

Terug naar boven

 

89. Moet mijn bestuur opnieuw alle stukken bezorgen die eertijds werden bezorgd?

Ter zake is niets bepaald; noch decretaal, noch in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad.

 

Het bestuur kan zich steeds beperken tot een verwijzing naar het destijds overgelegde informatiedossier en enkel die stukken, gegevens en/of inlichtingen bezorgen die zij nuttig acht ter aanvulling/actualisering van het destijds overgelegde informatiedossier.

 

Terug naar boven

 

 
90. Op welke manier moeten stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad worden bezorgd?

Deze kunnen worden opgenomen in het verzoek, ofwel gevoegd bij het informatiedossier zelf, ofwel kan worden verwezen naar een elektronische vindplaats waarop deze rechtstreeks en integraal kunnen worden geraadpleegd.

 

Terug naar boven

 

91. Moeten stukken, gegevens of inlichtingen die op een elektronische vindplaats beschikbaar zijn, via een postzending op papieren dragen worden bezorgd?

Neen. In dat geval volstaat het dat het bestuur verwijst naar een elektronische vindplaats waarop deze rechtstreeks en integraal kunnen worden geraadpleegd.

 

Terug naar boven 

 

92. Hoe stuurt mijn bestuur de gevraagde stukken op?

De toezending van de stukken bij beveiligde zending is niet op straffe van onontvankelijkheid voorgeschreven en betreft derhalve geen substantiële pleegvorm.

 

In geval van een andere dan aangetekende zending kan uw bestuur bij betwisting van de ontvangst van stukken evenwel in bewijsnood komen te staven dat de gevraagde stukken werden ontvangen.


 
In de administratieve praktijk trekt de Raad voluit de kaart van de elektronische communicatie. De stukken mogen worden aangeleverd via e-mail, of via een melding van een link naar de elektronische vindplaats, of op papieren drager, of via een combinatie van één of meerdere van deze wijzen.

 

Zo volstaat het bv. dat uw bestuur:
1. een e-mail stuurt met een link naar een website waar bepaalde stukken (bv. een grafisch plan van een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan) kunnen worden geraadpleegd;
2. stukken op papieren drager via een klassieke verzending via de post bezorgt;
3. stukken onder de vorm van gedigitaliseerde bestanden aanreikt als bijlagen bij een e-mail onder een gebruikelijk bestandsformaat zoals .pdf, .jpeg, .doc(x),…

 

Terug naar boven

 

 
93. Kan mijn bestuur naderhand uit eigen beweging nog bijkomende inlichtingen, gegevens of stukken aan de Raad bezorgen?

(artikel 4, § 3 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Neen. Tenzij de Raad, de voorzitter of de vaste secretaris uitdrukkelijk om de overlegging ervan heeft verzocht, worden niet in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voorziene stukken, gegevens en inlichtingen uit de besluitvorming geweerd. Het is derhalve niet aangewezen dat het bestuur hangende de adviesprocedure voor de Raad uit eigen beweging nog bijkomende stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad bezorgt. Indien noodzakelijk kan best vooraf telefonisch contact worden opgenomen met de dossierbehandelaar of de vaste secretaris.

 

Terug naar boven

 

 
94. Kan mijn bestuur schriftelijk reageren op een gemotiveerde nota?

(artikel 4, § 3 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Neen. Tenzij de Raad, de voorzitter of de vaste secretaris uitdrukkelijk om de overlegging ervan heeft verzocht, worden niet in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voorziene stukken, gegevens en inlichtingen uit de besluitvorming geweerd. Het is derhalve niet zinvol dat het bestuur hangende de adviesprocedure voor de Raad schriftelijk reageert op een gemotiveerde nota.

 

Wel kan uw bestuur de plenaire vergadering van de Raad bijwonen om stemadvies te verlenen, zodat mondeling tijdens de vergadering desgevallend kan worden gereageerd op de in de gemotiveerde nota ontwikkelde argumentatie.

 

Ten slotte is het ook mogelijk dat het bestuur stukken neerlegt op de vergadering.

 

Terug naar boven

 

 
95. Ik wil voor mijn bestuur de vergadering van de Raad bijwonen om stemadvies te verlenen. Wat doe ik daarvoor?

Op http://www.hogeraadvoordehandhavingsuitvoering.be kunt u zich aanmelden (doorklikken via ‘aanmeldformulier)’.

 

De aanmelding is niet verplicht, maar wordt sterk aanbevolen om praktische en organisatorische redenen.

 

Terug naar boven

 

 
96. Hoe verloopt de vergadering van de Raad?

Wie zich heeft aangemeld, krijgt in principe de dag vóór de vergadering via e-mail de agenda van de vergadering met daarop het uur waarop u verwacht wordt. U wordt ook tijdig verwittigd waar precies de vergadering van de Raad plaatsvindt.

 

De agenda wordt ook steeds uitgehangen in de wachtruimte naast de vergaderzaal.

 

De zaken worden behandeld in de volgorde van de agenda. U neemt plaats in de wachtruimte. Wanneer uw zaak wordt behandeld, wordt u binnen uitgenodigd door een secretariaatsmedewerker van de Raad.

 

Een secretariaatsmedewerker geeft eerst toelichting bij het dossier. Hierna krijgt u het woord. U kunt het standpunt van uw bestuur uiteenzetten om vervolgens stemadvies te geven. Indien u zich heeft aangemeld voor meerdere dossiers van uw bestuur, worden de dossiers aaneensluitend besproken.

 

Daarna neemt de Raad de zaak in beraad en wordt u gevraagd de vergadering te verlaten.

 

Doorgaans wordt de beslissing dezelfde dag genomen. Na administratieve verwerking (binnen de 14 dagen) wordt de beslissing aan het betrokken bestuur en aan de belanghebbenden die in de zaak zijn gehoord of aan de personen die bij de Raad op grond van het dossier bekend zijn, toegestuurd.

 
 

Terug naar boven

 

VANUIT HET OOGPUNT VAN DE DERDE BELANGHEBBENDE DIE EEN VERZOEK TOT HEROVERWEGING WENST IN TE DIENEN

97. Hoe wordt een gemotiveerd verzoek tot heroverweging aan de Raad gericht?

(artikel 4, § 1 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat adviesaanvragen betreffende (opeenvolgende) herstelvorderingen moeten worden gevraagd bij beveiligde zending (o.a. een aangetekend schrijven of een afgifte tegen ontvangstbewijs). Dit begrip is gedefinieerd in artikel 1.1.2, 3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.


 
In het geval van een gemotiveerd verzoek tot heroverweging, is de wijze van kennisgeving niet decretaal bepaald. In artikel 4, § 1 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad wordt bepaald dat alle aanvragen, verzoeken en stukken steeds aan de Raad moeten worden gericht bij beveiligde zending. Dit betreft geen substantiële pleegvorm.

 

Gezien de Raad in de administratieve praktijk voluit de kaart trekt van de elektronische communicatie, bepaalt het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad dat de bevoegde overheden bij een papieren kennisgeving tevens een gehele of gedeeltelijke digitale kopie kunnen aanreiken van de aanvraag.

 

Terug naar boven

 

 
98. Binnen welke termijn moet de Raad advies verlenen?

In tegenstelling tot de adviesaanvragen betreffende (opeenvolgende) herstelvorderingen, bestaat er inzake gemotiveerde verzoeken tot heroverweging geen termijnvereiste. Organisatorisch wordt gestreefd naar eenzelfde behandeling als de op termijn gestelde adviesaanvragen over een (opeenvolgende) herstelvordering waarvoor een adviestermijn geldt van 60 dagen.
 

Terug naar boven

 

99. Op welke manier moeten stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad worden bezorgd?

Deze kunnen worden opgenomen in het verzoek, ofwel gevoegd bij het informatiedossier zelf, ofwel kan worden verwezen naar een elektronische vindplaats waarop deze rechtstreeks en integraal kunnen worden geraadpleegd.

 

Terug naar boven

 

100. Moeten stukken, gegevens of inlichtingen die op een elektronische vindplaats beschikbaar zijn, via een postzending op papieren drager worden bezorgd?

Neen. In dat geval volstaat het dat het bestuur verwijst naar een elektronische vindplaats waarop deze rechtstreeks en integraal kunnen worden geraadpleegd.

 

Terug naar boven

 

101. Kan ik naderhand uit eigen beweging nog bijkomende inlichtingen, gegevens of stukken aan de Raad bezorgen?

(artikel 4, § 3 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Neen. Tenzij de Raad, de voorzitter of de vaste secretaris uitdrukkelijk om de overlegging ervan heeft verzocht, worden niet in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voorziene stukken, gegevens en inlichtingen uit de besluitvorming geweerd. Het is derhalve niet aangewezen dat u hangende de adviesprocedure voor de Raad uit eigen beweging nog bijkomende stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad bezorgt. Indien noodzakelijk kan best vooraf telefonisch contact worden opgenomen met de dossierbehandelaar of de vaste secretaris.

 

Terug naar boven

 

 
102. Kan ik schriftelijk reageren op een gemotiveerde nota?

(artikel 4, § 3 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Neen. Tenzij de Raad, de voorzitter of de vaste secretaris uitdrukkelijk om de overlegging ervan heeft verzocht, worden niet in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voorziene stukken, gegevens en inlichtingen uit de besluitvorming geweerd. Het is derhalve niet zinvol dat het bestuur hangende de adviesprocedure voor de Raad schriftelijk reageert op een gemotiveerde nota.

 

Terug naar boven

 

 
103. Kan ik mondeling mijn argumenten toelichten op de vergadering van de Raad?

Neen. Dit is voor een derde-belanghebbende niet voorzien in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, noch in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad.

 

Terug naar boven

 

104. Mag ik zelf aanwezig zijn op de vergadering van de Raad?

Neen. Dit is niet voorzien in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, noch in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad. Enkel de bevoegde overheden hebben de mogelijkheid om de vergadering van de Raad bij te wonen teneinde stemadvies te verlenen.

 

Terug naar boven

 

VANUIT HET OOGPUNT VAN DE BURGER: HET SCHRIFTELIJK HOREN

Zie procedure herstelvordering
 

VRAGEN I.V.M. DE AMBTSHALVE UITVOERING

ALGEMENE VRAGEN

105. Wat is een ambtshalve uitvoering?

Wanneer de uitvoering van de gerechtelijke herstelmaatregel bij onwil van de veroordeelde gebeurt door de stedenbouwkundige inspecteur en/of de burgemeester, wordt er gesproken van ambtshalve uitvoering. De rechter zal de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester machtigen om wanneer de veroordeelde zelf niet de gerechtelijke herstelmaatregel binnen de door de rechtbank gestelde termijn uitvoert, dit te laten gebeuren op kosten van de veroordeelde.
 

Terug naar boven

 

106. Wie kan een adviesaanvraag over het opstarten van een ambtshalve uitvoering voorleggen aan de Raad voor advies?

(artikel 6.3.10, § 1, eerste lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Enkel de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester kunnen dit doen.

 

Terug naar boven

 

 
107. Wat is de rol van de Raad m.b.t. de ambtshalve uitvoering?

(artikel 6.3.10, § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

De stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester kunnen maar overgaan tot het opstarten van de ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke herstelmaatregel als ze daarvoor voorafgaand positief advies van de Raad krijgen. Zonder positief advies kan de ambtshalve uitvoering niet worden opgestart.

 

Onder “opstarten” wordt verstaan:

 

1° het beginnen van een gunningsprocedure tot aanwijzing van een particulier die het vonnis of arrest uitvoert;
2° het schriftelijk of mondeling belasten van een particulier binnen een raamovereenkomst tot de uitvoering van het vonnis of arrest;
3° het geven van de nodige instructies aan een ambtenaar of een dienst voor de uitvoering van het vonnis of arrest.

 

Terug naar boven

 

 
108. Kan de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester voorbijgaan aan het advies van de Raad of er geen rekening mee houden?

(artikel 6.3.10, §1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 6.3.11, §2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Wanneer geen advies wordt uitgebracht door de Raad of dit niet gebeurt binnen de decretaal bepaalde termijn van 60 dagen, kan de ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke herstelmaatregel zonder advies worden opgestart.

 

Deze termijn is een vervaltermijn van 60 dagen, die ingaat de dag na deze van de betekening van de adviesaanvraag.

 

In het geval de Raad een voorafgaand, negatief advies heeft verleend, kan de bevoegde overheid hier niet aan voorbij gaan. De ambtshalve uitvoering kan in dat geval niet op ontvankelijke wijze worden opgestart.

 

Terug naar boven

 

 
109. Wat als de Raad negatief advies verleent?

(artikel 6.3.10, § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Zonder positief advies van de Raad kan de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester de ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke herstelmaatregel niet opstarten.

 

 

Terug naar boven

 

BEOORDELINGSKADER 

110. Wat is het beoordelingskader van de Raad bij adviesaanvragen betreffende de ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke maatregel?

De adviesbevoegdheid van de Raad betreffende de ambtshalve uitvoering vindt thans grondslag in artikel 6.3.10, § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (voorheen in oud artikel 6.1.7 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en daarvoor in oud artikel 153, tweede lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO).

 

Artikel 153, tweede lid DRO werd ingevoerd bij artikel 9 van het decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft (hierna: het Handhavingsdecreet).
Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 9 van het Handhavingsdecreet blijkt dat de adviesbevoegdheid die inzake het opstarten van de ambtshalve uitvoering werd toegewezen aan de Hoge Raad ertoe strekte “een uniforme en billijke ambtshalve uitvoering van arresten en vonnissen” te verwezenlijken (Parl. St. Vl. Parl. 2002-2003, nr. 1566/7, p. 39).

 

Dit blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid (Parl. St. Vl. Parl. 2008 2009, nr. 2011/1, p. 645).

 

Het Grondwettelijk Hof stelt dat de Hoge Raad bij het uitoefenen van zijn adviesbevoegdheid inzake het ambtshalve uitvoeren van vonnissen of arresten moet “onderzoeken of het gebruik dat de stedenbouwkundige inspecteur beoogt te maken van de hem door de rechter gegeven machtiging tot ambtshalve uitvoering, geschiedt met inachtneming van de beginselen van gelijkheid en redelijkheid”. Die bevoegdheid van de Hoge Raad gaat niet zover dat hij de uitvoering als zodanig van rechterlijke beslissingen in de weg zou kunnen staan (GwH 15 januari 2009, nr. 5/2009, overweging B.4.3).

 

Hetzelfde geldt bij een adviesaanvraag betreffende de ambtshalve uitvoering van de burgemeester.

 

Overeenkomstig artikel 6.3.7, § 2, tweede lid, 2° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zijn de adviezen van de Raad te allen tijde gesteund op motieven die ontleend worden aan:

 

1° het recht, met inbegrip van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals die specifiek binnen de ruimtelijke ordening gelden;

2° de weerslag van inbreuken op de rechten van derden en op de plaatselijke ordening, meer bepaald het niveau van de goede ruimtelijke ordening van naburige percelen dat zou worden behaald als zich geen schade ten gevolge van een stedenbouwkundig misdrijf of een stedenbouwkundige inbreuk zou hebben voorgedaan.

 

De toetsing aan het recht behelst zowel een toetsing aan de formele rechtsbronnen als een toetsing aan alle positiefrechtelijke rechtsbronnen, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, waaronder het gelijkheidsbeginsel, en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

 

Wat de Raad, onder verwijzing naar het arrest nr. 5/2009 van het Grondwettelijk Hof, kan onderzoeken is niet of de bevoegde overheid al dan niet handhavend optreedt tegen gelijkaardige feiten.

 

Wat de Raad kan onderzoeken is of de bevoegde overheid met andere definitieve vonnissen of arresten ook werd gemachtigd om in de ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke herstelmaatregel te voorzien mocht de veroordeelde niet binnen de door de rechter bepaalde uitvoeringstermijn hiertoe vrijwillig overgaan. De Raad kan dus onderzoeken of de adviesaanvrager uit een eventueel bestaande voorraad aan dergelijke vonnissen en arresten een willekeurige selectie heeft gemaakt die niet getuigt van objectieve en pertinente criteria. Hij kan met zijn advies het tijdstip en de modaliteiten van de ambtshalve uitvoering nader preciseren (GwH 15 januari 2009, nr. 5/2009, overweging B.4.3).

 

Verder worden in het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening beleidsregels voorop gesteld, waarmee de Raad als gewestelijke handhavingspartner rekening moet houden bij de beoordeling van adviesaanvragen betreffende de ambtshalve uitvoering.

 

De volgende beleidskeuze komt tot uitdrukking in de zgn. “managementssamenvatting” van het Handhavingsprogramma:

 

De ambtshalve uitvoering kan enkel als ultimum remedium worden ingezet. Voor oudere misdrijven en reeds bestaande titels – voor zover de herstelmaatregel nog geen tien jaar is verstreken ‐ zal eerst een onderzoek naar de alternatieven gebeuren waarbij ook het tijdsverloop in rekening wordt genomen. Voor de uitspraken die behoren tot het historisch passief (m.n. de uitvoeringstermijn is meer dan tien jaar verstreken), wordt een dubbele aanpak voorgesteld bestaande uit een screening naar de actualiteit van de titel, naar de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening in de huidige context en volgens de actuele prioriteiten, naar de herbetekening van de titel, naar de huidige mogelijkheden tot regularisatie en desgevallend aanpassing, naar planologische oplossingen etc. Daarnaast worden ook de mogelijkheden tot aanpassing van de regelgeving onderzocht op het vlak van plannen en vergunnen.”
(Handhavingsprogramma, Parl. St. Vl. Parl. 2014-2015, nr. 468/1, 10).

 

Verder in het Handhavingsprogramma zijn de volgende beleidskeuzes opgenomen over de ambtshalve uitvoering van vonnissen en arresten:

 

 “f. Ambtshalve uitvoering van gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten dwangsommen

 

Recente misdrijven en inbreuken

 

‐ Wat betreft het bestuurlijk traject

 

Bestuurlijke besluiten, als resultaat van bestuurlijke handhaving, zijn een nieuwigheid. Ze komen tot stand na de inwerkingtreding van het decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, in de geest en filosofie van het voorliggend handhavingsprogramma RO. In het bijzonder zal rekening worden gehouden met de prioriteiten, de uitgetekende trajectaanpak en de rangorde bij het bepalen van de herstelmaatregel zoals voorzien in de VCRO.

 

‐ Wat betreft het gerechtelijk traject

 

Dat geldt ook voor het inleiden van vorderingen bij het openbaar ministerie betreffende stedenbouwkundige inbreuken en misdrijven die ontstaan na de inwerkingtreding van het decreet. Als de overtreder, ondanks alle garanties voorzien in het decreet en het handhavingsprogramma RO, finaal toch in gebreke blijft om het herstel uit te voeren na het tevergeefs inzetten van al de andere middelen waaronder de dwangsom, kan de ambtshalve uitvoering als ultimum remedium worden ingezet. Hierbij wordt naar behoren rekening gehouden met de algemene beginselen inzake gelijke behandeling, redelijkheid en proportionaliteit. Zo dient er ook afgewogen te worden of het uitvoeren van ambtshalve herstel versus de inzet van mensen en middelen, te verantwoorden is.

 

Voorafgaandelijk onderzoek met betrekking tot oudere stedenbouwkundige misdrijven voor zover de uitvoeringstermijn van de herstelmaatregel nog geen tien jaar is verstreken

 

Voor gerechtelijke uitspraken betreffende stedenbouwkundige misdrijven, is enige nuance vereist. De uitspraken die nu uitvoerbaar zijn en diegene die binnenkort in kracht van gewijsde zullen gaan, zijn meestal tot stand gekomen zonder inzet van zachte handhavingsinstrumenten, op basis van andere prioriteiten, zonder de optie van bestuurlijke handhaving, volgens een andere rangorde voor de herstelmaatregel, en zonder de voortdurende mogelijkheid voor de veroordeelde om over te gaan tot vrijwillig herstel. Hiervoor komt grondig onderzoek naar alternatieven en het aanbod tot vrijwillig herstel op de eerste plaats. Het moment waarop de handhavende overheid een eerste initiatief genomen heeft met betrekking tot een stedenbouwkundig misdrijf, zal bepalend zijn om al dan niet over te gaan tot ambtshalve uitvoering.

 

Prioriteiten in de ambtshalve uitvoering van gerechtelijke uitspraken waarvan de uitvoeringstermijn meer dan tien jaar is verstreken en de aanpak van het historisch passief

 

Bij de uitvoering van gerechtelijke uitspraken waarvan de termijn voor uitvoering van de herstelmaatregelen op de betekeningsdatum al 10 jaar of meer verstreken is, ligt de nadruk op probleemoplossend werken en een efficiënte aanpak. Er wordt voorzien in een dubbele aanpak : een inventarisatie en dossiergerichte afhandeling met daarnaast een onderzoek gekoppeld aan een globaal wetgevend initiatief.
De overheid dient het historisch passief in kaart te brengen en een screening, zowel inhoudelijk als procedureel, van deze dossiers te doen, hetzij daartoe een externe opdracht te geven. Op basis hiervan kan worden beslist over het al dan niet actief verder zetten van de uitvoering. Zoals steeds dient het aanknopingspunt de goede ruimtelijke ordening te zijn. Nu het gaat om de uitvoering van de vonnissen en arresten waarvan de uitvoeringstermijn reeds meer dan tien jaar is verstreken (en de schending dus nog ouder is), is het aangewezen de plaatselijke situatie in de huidige context te gaan evalueren. Er moet nagegaan worden wat nog nuttig, noodzakelijk en achterhaald is in functie van de goede ruimtelijke ordening.
Vóór de (her)betekening van deze titels en desgevallend adviesvraag bij de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering hierover, dient in de dossiers waarin de uitvoeringstermijn meer dan 10 jaar is verstreken, nagegaan te worden of de actio iudicati al dan niet verjaard is en of eertijds zo werd betekend dat het stuitend heeft gewerkt. De dossiers die afvallen, worden niet verder geactiveerd.
Voor de dossiers waarin geen positief advies tot ambtshalve uitvoering wordt bekomen bij de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, wordt eveneens niet verder tot betekening overgegaan.
Er wordt proactief een onderzoek gedaan naar de actualiteit van de titel en naar de huidige regulariseerbaarheid of de mogelijkheid tot het uitwerken van een planologische oplossing, gelet op de huidige beleidsmatige context. De betrokkene wordt op een actieve manier ingelicht en wordt aangezet om mee tot een oplossing te komen waar mogelijk. Indien vereist, worden de nodige initiatieven daartoe vanuit de handhaver in samenwerking met de bevoegde overheden op gang getrokken.
Voor de dossiers waarvan conform het voorgestelde traject, het herstel niet kan bewerkstelligd worden, wordt de beslissing tot het opstarten van de ambtshalve uitvoering pas genomen, na toetsing van het stedenbouwkundig misdrijf aan de inhoudelijke prioriteiten die actueel toegepast worden. Indien de aard van het misdrijf en het bestemmingsgebied waarin het misdrijf plaatst vond, niet vallen onder de prioriteiten moet de uitvoering niet langer geactiveerd worden. Ook wordt actief nagegaan of bij een actuele beoordeling van de goede plaatselijke ordening volgens de criteria die op dit moment worden aangewend bij het opmaken van een gerechtelijke herstelvordering, de verenigbaarheid hiermee al dan niet kan worden vastgesteld. In affirmatief geval is de ambtshalve uitvoering niet meer aangewezen. De overheid kan hierbij ook proactief initiatieven ondernemen om het historisch passief op een systematische en gefaseerde wijze op het terrein te onderzoeken en beoordelen.
In de dossiers waarin de uitvoering wordt verder gezet, dient aan de betrokkene eerst te worden voorgesteld dat een dading om de uitvoeringstermijn te verlengen nog mogelijk is conform de decretale voorwaarden.
Gezien de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening in de huidige context beleidsmatig als uitgangspunt wordt gesteld voor het historisch passief, moet worden [nagegaan] in welke mate een aanpassing van de regelgeving op het vlak van vergunnen en plannen de burger op een actieve manier kan aanzetten om dit historisch passief mee op te lossen.
Finaal moet de dubbele aanpak dus ook resulteren in een vaststaand en duidelijk statuut voor de bestaande al dan niet geheel illegale toestand volgens de huidige regelgeving. Er moet rechtszekerheid kunnen geboden worden, ook aan toekomstige derden‐verkrijgers. Via de vergunningenregisters en hypothecaire staten zal het bestaan van de veroordeling immers telkens weer naar boven komen. Het verdient aanbeveling hiertoe een wettelijk kader uit te werken en daartoe wordt verder een aanzet gegeven via de verbetertrajecten.”

(Handhavingsprogramma, Parl. St. Vl. Parl. 2014-2015, nr. 468/1, 48)

 

 

Terug naar boven

 

ADVIESPROCEDURE

VANUIT HET OOGPUNT VAN HET BESTUUR

111. Hoe wordt een adviesaanvraag aan de Raad gericht?

(artikel 6.3.11, § 1, eerste lid en artikel 1.1.2, 3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 4, § 1 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat een adviesaanvraag betreffende het opstarten van de ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke herstelmaatregel moet worden gevraagd bij beveiligde zending (o.a. een aangetekend schrijven of een afgifte tegen ontvangstbewijs). Dit begrip is gedefinieerd in artikel 1.1.2, 3° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

 

Gezien de Raad in de administratieve praktijk voluit de kaart trekt van de elektronische communicatie, bepaalt het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad dat de bevoegde overheden bij een papieren kennisgeving tevens een gehele of gedeeltelijke digitale kopie kunnen aanreiken van de aanvraag.

 

Terug naar boven

 

 
112. Binnen welke termijn moet de Raad advies verlenen?

(artikel 6.3.11, § 2, eerste lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Bij adviesaanvragen betreffende het opstarten van de ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke herstelmaatregel uitgaande van de burgemeester en/of de stedenbouwkundige inspecteur geldt een adviestermijn van 60 dagen. De voorziene termijn is een vervaltermijn van 60 dagen, die ingaat de dag na deze van de betekening van de adviesaanvraag.

 

Terug naar boven

 

 
113. Welke elementen moet de adviesaanvraag minstens bevatten om ontvankelijk te zijn?

(artikel 14 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Volgende essentiële elementen die noodzakelijk zijn om kennis te nemen van de aanvraag, zijn voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid:

 

1. het voorwerp van de adviesaanvraag. Het volstaat dat dit duidelijk blijkt uit de aanvraag (bv. duidelijke vermelding in de aanhef of onderwerp,…);
2. de kadastrale identificatie van het perceel;
3. een beschrijving van de wederrechtelijke handelingen.

 

De wijze waarop de kadastrale identificatie en/of beschrijving van de wederrechtelijke handelingen geschiedt, is niet aan pleegvormen onderworpen. Het normdoel is dat deze gegevens duidelijk en ondubbelzinnig blijken.

 

Terug naar boven

 

 
114. Wat is de vereiste minimale inhoud van het informatiedossier bij een adviesaanvraag over het ambtshalve uitvoeren van een herstelmaatregel

(artikel 16 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)


Het informatiedossier moet in alle gevallen tenminste het volgende bevatten:

 

1. het planologisch kader, nl. het grafisch plan en de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften van het plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan dat van toepassing is op het ogenblik van de adviesaanvraag op het perceel waarop de wederrechtelijk uitgevoerde handelingen zijn gesitueerd en in voorkomend geval, de vaststaande toekomstige ruimtelijke ordening. Indien dit planologisch kader blijkt uit het vonnis of arrest waarvan de ambtshalve uitvoering wordt gevraagd, en dit kader sinds het in kracht van gewijsde treden van dit vonnis of arrest niet gewijzigd is wat het perceel betreft waarop de wederrechtelijk uitgevoerde handelingen zijn gepleegd, dan moet dit planologisch kader niet worden gevoegd bij het informatiedossier.
2. een fotoreportage ter ondersteuning van de aanvraag;
3. een afschrift van het vonnis of arrest waarvan de ambtshalve uitvoering wordt gevraagd;
4. de feitelijke en juridische historiek van het dossier sinds het in kracht van gewijsde treden van het vonnis of arrest waarvan de ambtshalve uitvoering wordt gevraagd waarbij in het bijzonder wordt aangegeven of het door het rechterlijk bevel beoogde rechtsherstel reeds werd bereikt ingevolge het feitelijk uitvoeren van de opgelegde maatregel of het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning in combinatie met de uitvoering van de daaraan desgevallend verbonden voorwaarden;
5. een gemotiveerde omgevingsanalyse bevattende de weerslag van de illegale handeling(en) op de rechten van derden en op de plaatselijke ordening, zijnde het niveau van de goede ruimtelijke ordening van naburige percelen dat zou worden behaald indien zich geen schade als gevolg van de illegale handeling(en) zou hebben voorgedaan;
6. een in de tijd uitgezet overzicht van de concrete uitvoeringsmodaliteiten van de ambtshalve uitvoering.

 

In voorkomend geval moet het informatiedossier tevens het volgende bevatten:

 

1. indien het perceel waarop de wederrechtelijk uitgevoerde handelingen zijn gesitueerd, gelegen is binnen de begrenzing van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling: de verkavelingsvergunning met inbegrip van het verkavelingsplan en de erbij horende verkavelingsvoorschriften die van toepassing zijn op het ogenblik van de adviesaanvraag op het perceel waarop de wederrechtelijk uitgevoerde handelingen zijn gesitueerd;
2. indien het een inbreuk betreft op een verordening: de verordening zoals die geldt op het ogenblik van de adviesaanvraag.

 

Indien de verkavelingsvoorschriften of de verordening echter blijken uit het vonnis of arrest waarvan de ambtshalve uitvoering wordt gevraagd, en deze sinds het in kracht van gewijsde treden van dit vonnis of arrest niet gewijzigd zijn wat het perceel betreft waarop de wederrechtelijk uitgevoerde handelingen zijn gepleegd, dan moeten deze niet worden gevoegd bij het informatiedossier.

 

Terug naar boven

 

 
115. Moet mijn bestuur opnieuw alle stukken bezorgen die destijds werden bezorgd in het kader van een adviesaanvraag over een herstelvordering?

(artikel 16, tweede lid Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Heeft het bestuur destijds reeds een adviesaanvraag over een herstelvordering bij de Raad ingediend en dateert het advies van de Raad van ná 1 september 2009, dan kan het bestuur zich beperken tot een verwijzing naar het destijds overgelegde informatiedossier, mits aanvulling/actualisering zodat voldaan is aan de in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voorziene minimale inhoud van het informatiedossier bij een adviesaanvraag over het ambtshalve uitvoeren van een gerechtelijke herstelmaatregel (hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 116).

 

Terug naar boven

 

 
116. Hebben de besturen inspraak in de samenstelling van het informatiedossier?

artikel 21, eerste lid en artikel 20, eerste lid Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Ja. Het is mogelijk dat het bestuur oordeelt dat er redenen zijn om één of meer stukken, gegevens of inlichtingen die volgens het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad minimaal vereist zijn, niet in het informatiedossier op te nemen. In dat geval moeten de redenen daartoe worden uiteengezet.

 

Uiteraard kan het bestuur aan het informatiedossier ook andere stukken, gegevens of inlichtingen dan deze voorzien in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad toevoegen indien het dit nuttig acht.

 

Terug naar boven

 

 
117. Op welke manier moeten stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad worden bezorgd?

(artikel 20, tweede lid Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

Het bestuur kan deze opnemen in de aanvraag, ofwel voegen bij het informatiedossier zelf, ofwel kan het bestuur verwijzen naar een elektronische vindplaats waarop deze rechtstreeks en integraal kunnen worden geraadpleegd.

 

Terug naar boven

 

 
118. Moeten stukken, gegevens of inlichtingen die op een elektronische vindplaats beschikbaar zijn, via een postzending op papieren drager worden bezorgd?

Neen. In dat geval volstaat het dat het bestuur verwijst naar een elektronische vindplaats waarop deze rechtstreeks en integraal kunnen worden geraadpleegd.

 

Terug naar boven

 

119. Mijn bestuur krijgt een aangetekende brief van de Raad met de vraag om met toepassing van artikel 21 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad het informatiedossier te vervolledigen met welbepaalde stukken, gegevens of inlichtingen. Wat is dit en wat moet mijn bestuur doen?

Artikel 16 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad regelt de minimaal vereiste samenstelling van het informatiedossier bij een adviesaanvraag over het ambtshalve uitvoeren van een gerechtelijke herstelmaatregel (hiervoor kan worden verwezen naar de veel gestelde vraag nr. 116).

 

Wanneer na ontvangst van de adviesaanvraag blijkt dat het informatiedossier onvolledig is, krijgt uw bestuur overeenkomstig artikel 21, tweede lid van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad de mogelijkheid om het dossier binnen de 8 dagen te vervolledigen.

 

De brief heeft tot doel uw bestuur in staat te stellen het informatiedossier nog aan te vullen met stukken, gegevens of inlichtingen die ontbreken.

 

In de brief die uw bestuur ontvangt, wordt gepreciseerd over welke stukken, gegevens of inlichtingen het gaat. Uw bestuur bezorgt de gevraagde stukken, gegevens of inlichtingen binnen de 8 dagen.

 

Terug naar boven

 

 
120. Mijn bestuur krijgt een e-mail of een aangetekende brief met de vraag om met toepassing van artikel 10, § 3 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad het informatiedossier te vervolledigen met bepaalde stukken, gegevens of inlichtingen. Wat is dit en wat moet mijn bestuur doen?

Artikel 10, § 3 van het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voorziet dat bij de bevoegde overheden stukken, gegevens of inlichtingen kunnen worden opgevraagd nuttig voor de behandeling van het dossier.

 

De telefonische oproep, de e-mail, de gewone of aangetekende brief heeft tot doel bepaalde stukken, gegevens of inlichtingen te bezorgen aan de Raad, zodat met een zo groot mogelijke kennis van zaken advies wordt verleend.

 

In het telefoongesprek, de e-mail of de gewone of aangetekende brief wordt gepreciseerd welke stukken, gegevens of inlichtingen die uw bestuur heeft, nuttig kunnen zijn bij de beoordeling van de adviesaanvraag.

 

In het geval van een e-mail of gewone brief wordt niet nader bepaald binnen hoeveel dagen uw bestuur de stukken, gegevens of inlichtingen moet bezorgen.

 

In het geval van een aangetekende brief wordt nader bepaald binnen hoeveel dagen uw bestuur de stukken, gegevens of inlichtingen moet bezorgen.

 

Terug naar boven

 

 
121. Hoe stuurt mijn bestuur de gevraagde stukken op?

De toezending van de stukken bij beveiligde zending is niet op straffe van onontvankelijkheid voorgeschreven en betreft derhalve geen substantiële pleegvorm.

 

In geval van een andere dan aangetekende zending kan uw bestuur bij betwisting van de ontvangst van stukken evenwel in bewijsnood komen te staven dat de gevraagde stukken werden ontvangen.

 

In de administratieve praktijk trekt de Raad voluit de kaart van de elektronische communicatie. De stukken mogen worden aangeleverd via e-mail, of via een melding van een link naar de elektronische vindplaats, of op papieren drager, of via een combinatie van één of meerdere van deze wijzen.

 

Zo volstaat het bv. dat uw bestuur:
1. een e-mail stuurt met een link naar een website waar bepaalde stukken (bv. een grafisch plan van een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan) kunnen worden geraadpleegd;
2. stukken op papieren drager via een klassieke verzending via de post bezorgt;
3. stukken onder de vorm van gedigitaliseerde bestanden aanreikt als bijlagen bij een e-mail onder een gebruikelijk bestandsformaat zoals .pdf, .jpeg, .doc(x),…

 

Terug naar boven

 

 
122. Kan mijn bestuur naderhand uit eigen beweging nog bijkomende inlichtingen, gegevens of stukken aan de Raad bezorgen?

(artikel 4, § 3 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)


Neen. Tenzij de Raad, de voorzitter of de vaste secretaris uitdrukkelijk om de overlegging ervan heeft verzocht, worden niet in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voorziene stukken, gegevens en inlichtingen uit de besluitvorming geweerd. Het is derhalve niet aangewezen dat het bestuur hangende de adviesprocedure voor de Raad uit eigen beweging nog bijkomende stukken, gegevens of inlichtingen aan de Raad bezorgt. Indien noodzakelijk kan best vooraf telefonisch contact worden opgenomen met de dossierbehandelaar of de vaste secretaris.
 

Terug naar boven

 

 
123. Kan mijn bestuur schriftelijk reageren op een gemotiveerde nota?

(artikel 4, § 3 Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad)

 

Neen. Tenzij de Raad, de voorzitter of de vaste secretaris uitdrukkelijk om de overlegging ervan heeft verzocht, worden niet in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in het Procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voorziene stukken, gegevens en inlichtingen uit de besluitvorming geweerd. Het is derhalve niet zinvol dat het bestuur hangende de adviesprocedure voor de Raad schriftelijk reageert op een gemotiveerde nota.

 

Wel kan uw bestuur de plenaire vergadering van de Raad bijwonen om stemadvies te verlenen, zodat mondeling staande de vergadering desgevallend kan worden gereageerd op de in de gemotiveerde nota ontwikkelde argumentatie.

 

Ten slotte is het ook mogelijk dat het bestuur stukken neerlegt op de vergadering.

 

Terug naar boven

 

 
124. Ik wil voor mijn bestuur de vergadering van de Raad bijwonen om stemadvies te verlenen. Wat doe ik daarvoor?

Op http://www.hogeraadvoordehandhavingsuitvoering.be kunt u zich aanmelden (doorklikken via ‘aanmeldformulier)’.

 

De aanmelding is niet verplicht, maar wordt sterk aanbevolen om praktische en organisatorische redenen.

 

Terug naar boven

 

 
125. Hoe verloopt de vergadering van de Raad?

Wie zich heeft aangemeld, krijgt in principe de dag vóór de vergadering via e-mail de agenda van de vergadering met daarop het uur waarop u verwacht wordt. U wordt ook tijdig verwittigd waar precies de vergadering van de Raad plaatsvindt.

 

De agenda wordt ook steeds uitgehangen in de wachtruimte naast de vergaderzaal.

 

De zaken worden behandeld in de volgorde van de agenda. U neemt plaats in de wachtruimte. Wanneer uw zaak wordt behandeld, wordt u binnen uitgenodigd door een secretariaatsmedewerker van de Raad.

 

Een secretariaatsmedewerker geeft eerst toelichting bij het dossier. Hierna krijgt u het woord. U kunt het standpunt van uw bestuur uiteenzetten om vervolgens stemadvies te geven. Indien u zich heeft aangemeld voor meerdere dossiers van uw bestuur, worden de dossiers aaneensluitend besproken.

 

Daarna neemt de Raad de zaak in beraad en wordt u gevraagd de vergadering te verlaten.

 

Doorgaans wordt de beslissing dezelfde dag genomen. Na administratieve verwerking (binnen de 14 dagen) wordt de beslissing aan het betrokken bestuur en aan de belanghebbenden die in de zaak zijn gehoord of aan de personen die bij de Raad op grond van het dossier bekend zijn, toegestuurd.

 

Terug naar boven

 

VANUIT HET OOGPUNT VAN DE BURGER: HET SCHRIFTELIJK HOREN

Zie procedure herstelvordering (vragen 62 t.e.m. 80)
 

VRAGEN I.V.M. DE BEMIDDELING

ALGEMENE VRAGEN

126. Wanneer kan bemiddeling door de Raad gebeuren?

(artikel 6.3.12/3 en artikel 6.3.12/4 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Er zijn twee soorten bemiddeling: vrijwillige en gerechtelijke bemiddeling.

 

Van bij de aanvang van een bestuurlijke procedure tot minnelijke schikking (zie artikel 6.4.19 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) of een procedure tot het sluiten van een dading (zie artikel 6.3.5 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening), kan elke belanghebbende vragen aan de Hoge Raad om een vrijwillige bemiddeling op te starten. Dit geldt ook in geval van weigering van een minnelijke schikking of een dading door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester.

 

Wanneer reeds een gerechtelijke procedure loopt, kan de rechter een gerechtelijke bemiddeling bij de Hoge Raad bevelen. Ze gebeurt tijdens een gerechtelijke procedure. De gerechtelijke procedure wordt dan opgeschort tot wanneer het resultaat van de bemiddelingspoging duidelijk is. In principe duurt de gerechtelijke bemiddeling niet langer dan drie maanden.

 

Het deelnemen aan een bemiddelingsproces gebeurt steeds uit vrije wil van alle partijen. Is een van de betrokken partijen niet bereid aan de bemiddeling deel te nemen, dan kan het bemiddelingsproces niet worden opgestart.

 

Terug naar boven

 

 
127. Wat houdt de bemiddeling in en volgens welke principes verloopt de bemiddeling?

Bij bemiddeling door de Raad probeert de bemiddelaar een directe dialoog tot stand te brengen tussen alle partijen. Dit zijn enerzijds de belanghebbende die de bemiddelingsaanvraag indient en anderzijds de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester van de bevoegde gemeente. De bemiddelaar verleent ondersteuning voor een goed verloop van de dialoog.

 

De bemiddelaar is ofwel een lid van de Raad ofwel een lid van het permanent secretariaat van de Raad die een passende opleiding heeft gevolgd om deskundig te bemiddelen.

 

De bemiddeling gebeurt met respect voor de volgende beginselen:

 

1° Neutraliteit: de bemiddelaar is neutraal, wat ook wel meervoudig partijdig wordt genoemd;
2° Vertrouwelijkheid: alles wat wordt besproken is vertrouwelijk en kan, indien de bemiddeling bv. geen succes kent, niet worden naar buiten gebracht voor de rechtbank;
3° Vrijwilligheid: partijen zijn vrij om al dan niet in of uit de bemiddeling te stappen.

 

De Raad heeft als beleidskader aangenomen dat de bemiddeling tevens gebeurt naar analogie met de bemiddeling zoals ze is geregeld in de bemiddelingswet van 21 februari 2005, wat onder meer inhoudt dat de aangestelde bemiddelaar ook aan de Raad niet rapporteert over de inhoud van wat tijdens het bemiddelingsproces aan bod komt.

 

Dit verhindert niet dat de bemiddelaar aan de Raad rapporteert over de evolutie van het bemiddelingsproces met respect voor het vertrouwelijke karakter van de inhoudelijke besprekingen, zoals wordt gegarandeerd door het bemiddelingsprotocol.

 

Terug naar boven

 

 
128. Hoe start een buitengerechtelijke bemiddelingspoging?

De door de Raad aangewezen bemiddelaar neemt contact op – dit kan schriftelijk of eerder informeel telefonisch gebeuren – met de betrokken partijen waarbij hij peilt naar de bereidheid om deel te nemen aan het bemiddelingsproces. Als die bereidheid bij alle partijen aanwezig is, volgt een uitnodiging voor een eerste installatievergadering. Op deze vergadering wordt door de bemiddelaar uitvoerig toegelicht wat een bemiddelingsproces precies inhoudt waarbij wordt ingegaan op alle vragen die bij de partijen daarover leven. Daarna wordt opnieuw gepeild naar de bereidheid om effectief dit proces op te starten. Indien de bereidheid daartoe bestaat wordt dit vastgelegd in een protocol dat door alle partijen wordt ondertekend, ook door de bemiddelaar. Dit bemiddelingsprotocol is een overeenkomst die vastlegt hoe de onderhandelaars betrachten tot een bemiddelingsakkoord te komen met de hulp van deze bemiddelaar. Het bevat de nodige bemiddelingsregels. Het doel van deze regels is er mede zorg voor te dragen dat deze bemiddeling effectief en op gelijkwaardige basis verloopt. Een model van zo’n protocol vindt u hier. De omschrijving van het conflict wordt tijdens de installatievergadering door de partijen zelf omschreven.

 

Terug naar boven

 

129. Kan het deelnemen aan een vrijwillige bemiddeling die niet tot oplossing leidt later voor mij nadelig zijn?

Neen. Aangezien bij de bemiddeling het beginsel van de vertrouwelijkheid voorop staat, kan niets van wat tijdens dit bemiddelingsproces werd besproken zonder toestemming van de partijen naar buiten worden gebracht, ook niet indien de zaak later door de rechtbank dient te worden beslecht. Deze vertrouwelijkheid wordt net gegarandeerd door de ondertekening van het bemiddelingsprotocol. Zie artikel 11 van het model van protocol.

 

Terug naar boven

 

130. Zijn er kosten verbonden aan een bemiddelingsproces?

Anders dan bij de bemiddeling zoals voorzien in de bemiddelingswet van 21 februari 2005 – daar betalen alle partijen de diensten van de bemiddelaar gezamenlijk – is er in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening niet voorzien dat aan de bemiddeling kosten zijn verbonden. De prestaties van de door de Raad aangestelde bemiddelaar zijn daarom kosteloos.

 

Terug naar boven

 

131. Treedt de bemiddelaar op als deskundige?

De Raad heeft er voor geopteerd zijn bemiddelingsopdracht in te vullen zoals de bemiddeling die werd voorzien in de bemiddelingswet van 21 februari 2005. Dit houdt in dat de bemiddelaar in principe niet optreedt als deskundige op het vlak van de ruimtelijke ordening, tenzij alle bij het bemiddelingsproces betrokken partijen hem hierom zouden verzoeken. In principe beheert de bemiddelaar het proces (verloop) van de bemiddeling, niet de inhoud.

 

Terug naar boven

 

132. Wanneer neemt een vrijwillige bemiddeling een einde?

artikel 6.3.12/3, § 3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Een vrijwillige bemiddeling neemt een einde wanneer de betrokken partijen een bemiddelingsakkoord bereiken.

 

De Raad kan anderzijds een vrijwillige bemiddeling te allen tijde beëindigen eens hij vaststelt dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld. Dit kan onder meer wanneer de betrokken partijen de raad in kennis stellen van hun wil om een einde te maken aan de bemiddeling. De Raad neemt deze beslissing op voorstel van een rapportering van de door hem aangestelde bemiddelaar. De bemiddelaar rapporteert nooit over de inhoudelijke elementen die tijdens het bemiddelingsproces aan bod kwamen, gelet op de vertrouwelijkheid van de bemiddeling.

 

Terug naar boven

 

 
133. Wanneer neemt een gerechtelijke bemiddeling een einde?

(artikel 6.3.12/4, § 1, tweede lid en § 3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

De rechterlijke beslissing die een bemiddeling beveelt, legt de duur van de bemiddelingsopdracht van de Raad vast, zonder dat deze drie maanden kan overschrijden. Zij vermeldt tevens de datum waarop de zaak is verdaagd.

 

Bij afloop van zijn bemiddelingsopdracht meldt de Raad de rechter schriftelijk of de partijen al dan niet tot een bemiddelingsakkoord zijn gekomen. Als een bemiddelingsakkoord is bereikt, maakt de Raad dit over aan de rechtbank.

 

Heeft de bemiddeling niet tot een bemiddelingsakkoord geleid, dan wordt de gerechtelijke procedure op de vastgestelde dag voortgezet. De rechter behoudt weliswaar de mogelijkheid om, zo hij dat opportuun acht en alle partijen ermee instemmen, de bemiddelingsopdracht van de Raad voor een door hem bepaalde termijn te verlengen.

 

Gedurende de bemiddeling blijft de rechter geadieerd en kan hij op elk ogenblik de noodzakelijk geachte maatregel treffen. Op verzoek van de Raad kan hij ook vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn een einde maken aan de bemiddeling. De Raad doet dit verzoek op voorstel van een rapportering van de door hem aangestelde bemiddelaar. De bemiddelaar rapporteert aan de Raad nooit over de inhoudelijke elementen die tijdens het bemiddelingsproces aan bod kwamen, gelet op de vertrouwelijkheid van de bemiddeling.

 

Terug naar boven

 

 
134. Schorst een aanvraag tot vrijwillige bemiddeling de verjaring van de herstelvordering en van het recht een bestuurlijke maatregel op te leggen, dan wel van het recht op uitvoeren van de definitieve rechterlijke herstelmaatregel?

(artikel 6.3.12/3, § 4 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Ja.

 

In de procedure tot minnelijke schikking (zie artikel 6.4.19 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) is de verjaring van de herstelvordering (zie artikel 6.3.3, § 3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) en van het recht een bestuurlijke maatregel op te leggen (zie artikel 6.4.3, § 2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) geschorst. Deze schorsing vangt aan vanaf de datum van betekening van de aanvraag aan de Raad.

 

In de procedure tot dading (zie artikel 6.3.5 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) is de verjaring van het recht op uitvoeren van de definitieve rechterlijke herstelmaatregel geschorst. Deze schorsing vangt aan vanaf de datum van verzending van de aanvraag aan de Raad.

 

Deze schorsing neemt een einde vanaf de datum waarop:

 

1° de Raad de beslissing tot niet-inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag aan de aanvrager betekent;
2° een bemiddelingsakkoord bereikt wordt;
3° de Raad de beëindiging van de bemiddeling omwille van de vaststelling dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, betekent aan de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden.

 

Terug naar boven

 

PROCEDURE

VRIJWILLIGE BEMIDDELING

VANUIT HET OOGPUNT VAN DE OVERTREDER DIE EEN BEMIDDELINGSAANVRAAG WENST IN TE DIENEN

135. Wanneer kan ik een bemiddelingsaanvraag indienen?

(artikel 6.3.12/3, § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Van bij de aanvang van een bestuurlijke procedure tot minnelijke schikking (zie artikel 6.4.19 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) of een procedure tot het sluiten van een dading (zie artikel 6.3.5 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening), kan elke belanghebbende vragen aan de Raad om een vrijwillige bemiddeling op te starten.

 

Een minnelijke schikking is een vergelijk tussen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, met de vermoedelijke overtreder(s) of andere belanghebbenden, waarvan de uitvoering elk verder recht op herstel of vergoeding van schade, geleden door het algemeen belang naar aanleiding van de inbreuken of misdrijven, uitdooft.

 

Met betrekking tot definitieve rechterlijke herstelmaatregelen waarvan de uitvoeringstermijn al meer dan vijf jaar overschreden is, kan de bevoegde overheid die de titel heeft doen betekenen met bevel tot uitvoeren, een nieuwe uitvoeringstermijn verlenen in de vorm van een dading met de veroordeelden, hun rechtsopvolgers en de rechthebbenden van het onroerend goed waarop de herstelmaatregel rust.

 

Van bij de aanvang van een procedure tot minnelijke schikking of een procedure tot het sluiten van een dading kan elke belanghebbende dus vragen aan de Raad om een vrijwillige bemiddeling op te starten.

 

Dit geldt ook in geval van weigering van een minnelijke schikking of een dading door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester.

 

Terug naar boven

 

 
136. Aan welke ontvankelijkheidsvereisten is mijn aanvraag onderworpen?

(artikel 6.3.12/3, § 2, eerste lid en artikel 1.1.2, 3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 


U moet de bemiddelingsaanvraag per beveiligde zending (o.a. een aangetekend schrijven of een afgifte tegen ontvangstbewijs) betekenen aan de Raad. Het begrip “beveiligde zending” is gedefinieerd in artikel 1.1.2, 3° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

 

Terug naar boven

 

 
137. Kan ik mij laten vertegenwoordigen door een raadsman voor het indienen van mijn aanvraag en moet er dan een schriftelijke volmacht worden overgelegd?

Ja. U mag zich laten bijstaan en vertegenwoordigen door een raadsman naar keuze. Deze persoon kan in uw naam en voor uw rekening een bemiddelingsverzoek indienen.


 
Deze raadsman kan een vriend, een familielid, een advocaat, of eender welke andere persoon zijn.

 

Is uw raadsman advocaat of advocaat-stagiair, dan wordt hij geacht u te vertegenwoordigen en moet hij geen schriftelijke volmacht voorleggen.

 

Is uw raadsman geen advocaat of advocaat-stagiair (vb. een jurist die niet als advocaat is ingeschreven bij de balie, een architect, een familielid, een vriend, een kennis,…), dan moet hij beschikken over een schriftelijke volmacht van u. Deze schriftelijke volmacht moet worden gevoegd bij uw bemiddelingsaanvraag.

 

Vermits het doel van de bemiddelaar is een bemiddelingscontext te creëren die tot een bemiddelingsakkoord leidt, kan u zich zelfs tijdens het bemiddelingsproces laten bijstaan door een advocaat. Dit is een mogelijkheid en zeker geen verplichting. De keuze of u zich effectief al dan niet zal laten bijstaan door een advocaat komt aan bod bij de installatievergadering waarmee het bemiddelingsproces start en waarbij wordt onderzocht of alle betrokken partijen bereid zijn in dit proces in te stappen. Aangezien bij een bemiddelingsproces voornamelijk wordt gepeild naar de bekommernissen van de partijen en niet zozeer naar standpunten, en de betrokkenen zelf beter dan wie ook deze bekommernissen kennen, is het niet noodzakelijk u te laten bijstaan door een advocaat.

 

Terug naar boven

 

 

138. Word ik in kennis gesteld van de al dan niet inaanmerkingneming van mijn verzoek?

(artikel 6.1.52, § 2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Ja. De Raad stelt de aanvrager en de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester van de bevoegde gemeente hiervan per beveiligde zending in kennis.

 

 

Terug naar boven 

 
 
139. Wanneer neemt de bemiddelingspoging een einde en word ik hiervan in kennis gesteld?

(artikel 6.3.12/3, § 3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Een vrijwillige bemiddeling neemt een einde wanneer de betrokken partijen een bemiddelingsakkoord bereiken.

 

De Raad kan anderzijds een vrijwillige bemiddeling te allen tijde beëindigen eens hij vaststelt dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld. Dit kan onder meer wanneer de betrokken partijen de raad in kennis stellen van hun wil om een einde te maken aan de bemiddeling. De Raad neemt deze beslissing op voorstel van een rapportering van de door hem aangestelde bemiddelaar. De bemiddelaar rapporteert nooit over de inhoudelijke elementen die tijdens het bemiddelingsproces aan bod kwamen, gelet op de vertrouwelijkheid van de bemiddeling.

 

De Raad stelt u daarvan per beveiligde zending in kennis.

 

Terug naar boven

 

GERECHTELIJKE BEMIDDELING

140. Wanneer kan de rechter een bemiddelingspoging bevelen?

(artikel 6.3.12/4 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Wanneer reeds een gerechtelijke procedure loopt, kan de rechter een gerechtelijke bemiddeling bij de Hoge Raad bevelen. Ze gebeurt tijdens een gerechtelijke procedure.

 

Zolang de zaak niet in beraad is genomen, kan de geadieerde rechter, in elke stand van het geding, een gerechtelijke bemiddeling bij de Hoge Raad bevelen en dit op verzoek van een van de partijen in het geding, op verzoek van de overheid die de herstelmaatregel vordert of op eigen initiatief.

 

Hoewel dit niet geregeld wordt door de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, is het zo dat de rechter slechts dan een bemiddeling beveelt wanneer alle partijen daartoe instemmen, vermits één van de bemiddelingsprincipes is dat deze gesteund is op vrijwilligheid.

 

De gerechtelijke procedure wordt dan opgeschort tot wanneer het resultaat van de bemiddelingspoging duidelijk is. In principe duurt de gerechtelijke bemiddeling niet langer dan drie maanden.

 

Terug naar boven

 

 
141. Binnen welke termijn moet de Raad de bemiddelingspoging bevolen door de rechter beëindigen? Kan deze termijn worden verlengd?

(artikel 6.3.12/4, § 1, tweede lid en § 3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

De rechterlijke beslissing die een bemiddeling beveelt, legt de duur van de bemiddelingsopdracht van de Raad vast, zonder dat deze drie maanden kan overschrijden.

 

Bij afloop van zijn bemiddelingsopdracht meldt de Raad de rechter schriftelijk of de partijen al dan niet tot een bemiddelingsakkoord zijn gekomen. Als een bemiddelingsakkoord is bereikt, maakt de Raad dit over aan de rechtbank.
Heeft de bemiddeling niet tot een bemiddelingsakkoord geleid, dan wordt de gerechtelijke procedure op de vastgestelde dag voortgezet. De rechter behoudt weliswaar de mogelijkheid om, zo hij dat opportuun acht en alle partijen ermee instemmen, de bemiddelingsopdracht van de Raad voor een door hem bepaalde termijn te verlengen.

 

Terug naar boven

 
142. Wanneer neemt de bemiddeling een einde?

(artikel 6.3.12/4, § 1, tweede lid en § 3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

De rechterlijke beslissing die een bemiddeling beveelt, legt de duur van de bemiddelingsopdracht van de Raad vast, zonder dat deze drie maanden kan overschrijden. Zij vermeldt tevens de datum waarop de zaak is verdaagd.

 

Bij afloop van zijn bemiddelingsopdracht meldt de Raad de rechter schriftelijk of de partijen al dan niet tot een bemiddelingsakkoord zijn gekomen. Als een bemiddelingsakkoord is bereikt, maakt de Raad dit over aan de rechtbank.

 

Heeft de bemiddeling niet tot een bemiddelingsakkoord geleid, dan wordt de gerechtelijke procedure op de vastgestelde dag voortgezet. De rechter behoudt weliswaar de mogelijkheid om, zo hij dat opportuun acht en alle partijen ermee instemmen, de bemiddelingsopdracht van de Raad voor een door hem bepaalde termijn te verlengen.

 

Gedurende de bemiddeling blijft de zaak bij de rechter en kan hij op elk ogenblik de noodzakelijk geachte maatregel treffen. Op verzoek van de Raad kan hij ook vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn een einde maken aan de bemiddeling. De Raad doet dit verzoek op voorstel van een rapportering van de door hem aangestelde bemiddelaar. De bemiddelaar rapporteert aan de Raad nooit over de inhoudelijke elementen die tijdens het bemiddelingsproces aan bod kwamen, gelet op de vertrouwelijkheid van de bemiddeling.

 

Terug naar boven

 

 
143. Word ik in kennis gesteld van de afloop van de bemiddelingsopdracht?

(artikel 6.3.12/4, § 3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

Bij afloop van zijn bemiddelingsopdracht meldt de Raad de rechter schriftelijk of de partijen al dan niet tot een bemiddelingsakkoord zijn gekomen. Als een bemiddelingsakkoord is bereikt, maakt de Raad dit over aan de rechtbank.

 

 

Terug naar boven

 

VRAGEN I.V.M. DE DWANGSOMVERZOEKEN

ALGEMENE VRAGEN

144. Wat is een dwangsom?

Meestal geeft de rechter een termijn aan de vermoedelijke overtreder om vrijwillig de bevolen herstelmaatregel uit te voeren. De rechter kan bepalen dat wanneer deze termijn verstreken is vb. per dag dat de vermoedelijke overtreder weigert de uitspraak zelf uit te voeren, een bepaald bedrag zal moeten worden betaald. Dat bedrag wordt een dwangsom genoemd.

De dwangsom is dus een bijkomende veroordeling om een veroordeelde vermoedelijke overtreder aan te zetten de herstelmaatregel die de rechter heeft bevolen, zelf uit te voeren. Het is een bijkomend drukkingsmiddel, opdat de vermoedelijke overtreder zelf gevolg geeft een de uitspraak van de rechter.

 

Terug naar boven

 

 
145. Wat is de rol van de Raad m.b.t. dwangsomverzoeken?

(artikel 6.3.12 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)

 

De Hoge Raad is bevoegd om niet-bindende adviezen binnen een vervaltermijn van 45 dagen te verstrekken aan de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen over een gemotiveerd verzoek om tijdelijk of definitief af te zien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld.

 

Terug naar boven

 

BEOORDELINGSKADER VAN DE HOGE RAAD

146. Wat is het beoordelingskader van de Hoge Raad inzake dwangsommen?

Het inhoudelijk beoordelingskader van de Hoge Raad inzake zijn dwangsombevoegdheid is raadpleegbaar via deze link.