Dwangsomverzoeken

Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid doet zijn eerste uitspraken over dwangsomverzoeken

De Hoge Raad besliste op 20 mei en 17 juni 2011 over een eerste reeks van verzoeken tot tijdelijke opschorting van de invordering en/of gedeeltelijke invordering van opeisbare dwangsommen zoals bedoeld in artikel 6.1.21 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Overeenkomstig het Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening kunnen dergelijke verzoeken enkel worden ingewilligd indien de verzoeker nu of in de nabije toekomst uit de onwettigheid is gekomen of zal/kan komen en mits toets aan de plaatselijke ordening en de rechten van derden in bepaalde gevallen (HHP, punt 7.3.2).

Zo heeft de Hoge Raad de invordering van de dwangsommen tijdelijk opgeschort, omdat bleek dat de verzoeker op korte termijn uit de onwettigheid kon komen omwille van een planinitiatief waarbij het ruimtelijk uitvoeringsplan in kwestie voorlopig was vastgesteld. Bij de tijdelijke opschorting loopt de veroordeelde overtreder het risico dat in het geval hij niet op termijn uit de onwettigheid raakt, de opeisbaar (geworden) dwangsommen kunnen worden ingevorderd door het handhavende bestuur.

De Hoge Raad heeft in een ander geval beslist dat de dwangsommen maar gedeeltelijk worden ingevorderd, omdat de verzoeker ondertussen een stedenbouwkundige vergunning had verkregen voor de constructies waarop een inbreuk rustte.

De gedeeltelijke invordering kan geen betrekking hebben op de vaststaande gerechts- en uitvoeringskosten.

De beleidsregels die de Hoge Raad heeft ontwikkeld en verder verfijnt, zullen later op de website worden gepubliceerd.

Door het operationaliseren van de bevoegdheid om de invordering van opeisbare dwangsommen tijdelijk op te schorten of te beslissen tot de gedeeltelijke invordering van opeisbare dwangsommen, implementeert de Hoge Raad de beleidsregels van het Handhavingsplan inzake het uitvoeren van vonnissen (HHP, punt 7.3.2).