§4. Zolang niet alle benoemingen, bedoeld in §2 en §3, voor een eerste maal zijn gebeurd, kunnen de functies van adviseur en administratief personeel gedurende een periode van maximaal zes maanden na het van kracht worden van deze bepaling, uit¬geoefend worden door personeelsleden van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed van de Vlaamse Overheid, na akkoord van de Raad.
De Vlaamse Regering en de organen van het Ministerie Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, kunnen geen instructies geven aan de hierboven vermelde personeelsleden en kunnen geen verantwoording vragen omtrent de wijze van uitoefening van de door hen uitgeoefende functie bij de Raad.
Het hiërarchisch en functioneel gezag over de adviseurs en het administratief personeel wordt uitgeoefend door de voorzitter van de Raad.
Art. 4.8.7. De geldelijke en administratieve rechtspositieregelingen die gelden in hoofde van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid, zijn van overeenkomstige toepassing op de griffiers, de adviseurs, en de leden van het administratief personeel. De Vlaamse Regering bepaalt de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt.
Art. 4.8.8. De Raad kiest uit zijn midden jaarlijks een voorzitter.
De voorzitter is belast met de dagelijkse leiding van de Raad. Hij staat in voor het opmaken en opvolgen van een beleidsplan.
Art. 4.8.9. De Raad neemt een reglement van orde aan, dat door de Vlaamse Regering bekrachtigd moet worden.
Het reglement van orde treedt in werking de dag van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Het reglement van orde kan nadere regels inzake procedure en inzake de werking en de organisatie van de Raad bepalen.
Art. 4.8.10. Het reglement van orde deelt de Raad in kamers in en bepaalt de wijze waarop beroepsdossiers aan de kamers worden toegewezen. De voorzitter kan aanvul¬lende kamers samenstellen indien de werklast dat vereist.
De kamers houden zitting met één raadslid. Zij houden evenwel zitting met drie raadsleden in de gevallen waarin zulks nodig wordt geacht om de eenheid van de rechtspraak te garanderen of wanneer juridische moeilijkheden daartoe aanleiding geven. De voorzitter bepaalt de samenstelling van de meervoudige kamers en wijst de kamervoorzitters ervan aan.
Elke kamer zetelt met één griffier of zittingsgriffier.
Onder de voorwaarden, bepaald in het reglement van orde, kan de voorzitter één of meerdere adviseurs tijdelijk gelasten met het uitoefenen van de taak van zittingsgriffier.
Bij afwezigheid of onbeschikbaarheid van beide griffiers kan de voorzitter aan één der adviseurs tijdelijk het mandaat van griffier toevertrouwen.
AFDELING 5. PROCEDURE
Onderafdeling 1. Algemeen
Art. 4.8.11. De partijen kunnen zich bij een procedure voor de Raad doen bijstaan of laten vertegenwoordigen door een raadsman.
Indien deze raadsman optreedt als vertegenwoordiger, legt hij een schriftelijke machtiging daartoe voor, behoudens indien:
| 1° |
de raadsman ingeschreven is als advocaat of als advocaat-stagiair; |
| 2° |
de raadsman verschijnt samen met de partij die hij vertegenwoordigt. |
Art. 4.8.12. §1. De partijen kunnen één of meer raadsleden van de bevoegde Kamer schriftelijk en op gemotiveerde wijze wraken vóór de aanvang van de zitting, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan. De voorzitter, of, zo deze wordt gewraakt, het oudste raadslid, doet onmiddellijk uitspraak over het verzoek tot wraking. Zo het verzoek wordt ingewilligd, wordt het gewraakte raadslid vervangen.
Het raadslid dat weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, onthoudt zich van de zaak en laat zich vervangen.
§2. De redenen tot wraking zijn dezelfde als deze, vermeld in artikel 828, 829, tweede lid en 830 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 4.8.13. In elke stand van het geding kan de voorzitter van de Raad, evenals de door hem gemachtigde raadsleden, ter voorkoming van een moeilijk te herstellen nadeel en op grond van ernstige middelen, een bestreden vergunningsbeslissing schorsen bij wijze van voorlopige voorziening. De schorsingsbeslissing wordt ambtshalve of op verzoek genomen.
Art. 4.8.14. Alle processtukken worden aan de Raad toegezonden per beveiligde zending, op straffe van onontvankelijkheid.
De Raad verricht alle betekeningen, kennisgevingen en oproepingen per beveiligde zending. Deze zendingen mogen echter bij gewone brief worden gedaan wanneer de ontvangst ervan geen termijn doet ingaan.
Art. 4.8.15. De Raad voert rechtstreeks briefwisseling met alle besturen die hij nuttig acht.
Hij is gerechtigd alle bescheiden en inlichtingen omtrent de zaken waarover hij zich uit te spreken heeft, door deze besturen te doen overleggen.
Onderafdeling 2. Aanhangigmaking
Art. 4.8.16. §1. De beroepen bij de Raad kunnen door volgende belanghebbenden worden ingesteld:
| 1° |
de aanvrager van de vergunning of van het as-builtattest, respectievelijk de persoon die beschikt over zakelijke of persoonlijke rechten ten aanzien van een constructie die het voorwerp uitmaakt van een registratiebeslissing, of die deze constructie feitelijk gebruikt; |
| 2° |
de bij het dossier betrokken vergunningverlenende bestuursorganen; |
| 3° |
elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing; |
4°
|
procesbekwame verenigingen die optreden namens een groep wiens collectieve belangen door de vergunnings-, validerings- of registratiebeslissing zijn bedreigd of geschaad, voor zover zij beschikken over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten;
|
5°
|
de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, voor wat betreft vergunningen afgegeven binnen de reguliere procedure, behoudens in de gevallen, vermeld in artikel 4.7.19, §1, derde lid;
|
6°
|
de bij het dossier betrokken adviserende instanties aangewezen krachtens artikel 4.7.16, §1, eerste lid, respectievelijk artikel 4.7.26, §4, 2°, op voorwaarde dat zij tijdig advies hebben verstrekt of ten onrechte niet om advies werden verzocht.
|
De belanghebbende aan wie kan worden verweten dat hij een voor hem nadelige vergunningsbeslissing niet heeft bestreden door middel van het daartoe openstaande georganiseerd administratief beroep bij de deputatie, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad te wenden.
§2. De beroepen worden ingesteld binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat als volgt:
| 1° |
wat betreft vergunningsbeslissingen:
a) hetzij de dag na deze van de betekening, wanneer dergelijke betekening vereist is,
b) hetzij de dag na deze van aanplakking, in alle andere gevallen; |
| 2° |
wat betreft valideringsbeslissingen:
a) hetzij de dag na deze van de betekening, wanneer dergelijke betekening vereist is,
b) hetzij de dag na deze van de opname in het vergunningenregister, in alle andere gevallen; |
| 3° |
wat betreft registratiebeslissingen:
a) hetzij de dag na deze van de betekening, wanneer dergelijke betekening vereist is,
b) hetzij de dag na deze van de opname van de constructie in het vergunningenregister, in alle andere gevallen. |
§3. De beroepen worden ingesteld bij wijze van verzoekschrift.
Het verzoekschrift wordt ondertekend door de partij, gedagtekend en bevat:
| 1° |
de naam, de hoedanigheid en het adres van de verzoeker; |
| 2° |
de naam en het adres van de verweerder; |
| 3° |
het voorwerp van het beroep; |
4°
|
een uiteenzetting van de feiten;
|
5°
|
een omschrijving van:
a) de geschonden geachte regelgeving, stedenbouwkundige voorschriften of beginselen van behoorlijk bestuur,
b) de wijze waarop deze regelgeving, voorschriften of beginselen naar het oordeel van de verzoeker geschonden wordt of worden.
|
Het verzoekschrift omschrijft in voorkomend geval de redenen op grond waarvan, bij wijze van voorlopige voorziening, om de schorsing van de vergunningsbeslissing wordt verzocht.
Aan het verzoekschrift wordt een afschrift van de bestreden beslissing gehecht. Het reglement van orde kan nadere vorm- en procedurevereisten vaststellen.
§4. De verzoeker kan aan het verzoekschrift de overtuigingsstukken toevoegen die hij nodig acht.
De overtuigingsstukken worden door de verzoeker gebundeld en op een inventaris ingeschreven.
§5. Gelijktijdig met de indiening van het verzoekschrift stuurt de verzoeker een afschrift van het verzoekschrift per beveiligde zending en ter informatie aan de verweerder en aan de begunstigde van de vergunning of de valideringsbeslissing.
Art. 4.8.17. §1. De griffier schrijft elk inkomend verzoekschrift in op een register.
Hij maakt een afschrift van het verzoekschrift over aan de verweerder, aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het betrokken onroerend goed gelegen is en aan de belanghebbenden bij de zaak, vermeld in artikel 4.8.16, §1, eerste lid, voor zover zij kunnen worden bepaald.
Hij stelt verzoeker en verweerder schriftelijk in kennis van de samenstelling van de bevoegde Kamer.
§2. Een beroep wordt niet geregistreerd indien niet voldaan is aan de vormen, vermeld in artikel 4.8.16, §3.
In dat geval stelt de griffier de verzoeker in staat om het verzoekschrift te regulariseren, binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na deze van de betekening van de regularisatiemogelijkheid.
De verzoeker die zijn verzoekschrift tijdig regulariseert, wordt geacht het te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending ervan.
Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.
Art. 4.8.18. De verzoeker is een rolrecht verschuldigd.
Het rolrecht wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering.
De griffier brengt de verzoeker schriftelijk op de hoogte van het verschuldigde bedrag.
Het rolrecht wordt gestort op rekening van het grondfonds, vermeld in artikel 5.6.3. De storting wordt verricht binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na deze van de betekening, vermeld in het derde lid. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard [...]. De niet tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd.
Onderafdeling 3. Tussenkomst
Art. 4.8.19. §1. Elk der belanghebbenden, vermeld in artikel 4.8.16, §1, eerste lid, kan tussenkomen in een zaak.
Een verzoek tot tussenkomst wordt ingediend binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na deze van de betekening, vermeld in artikel 4.8.17, §1, tweede lid. Bij ontstentenis van dergelijke betekening, kan de Raad echter een latere tussenkomst toelaten, voor zover deze tussenkomst de procedure op generlei wijze vertraagt.
Een verzoek tot tussenkomst wordt gedagtekend en bevat:
| 1° |
de naam, de hoedanigheid en het adres van de tussenkomende partij; |
| 2° |
de vermelding van de zaak waarin de tussenkomende partij wenst tussen te komen. |
§2. De bevoegde Kamer doet onmiddellijk uitspraak over de ontvankelijkheid van een verzoek tot tussenkomst.
§3. De Raad stelt de tussenkomende partij in de gelegenheid om een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven. De Raad stelt hiervoor een termijn vast, die niet korter mag zijn dan vijftien dagen. De tussenkomende partij kan aan de schriftelijke uiteenzetting de geïnventariseerde overtuigingsstukken toevoegen die hij nodig acht.
§4. De griffier bezorgt aan de tussenkomende partij alle processtukken.
Onderafdeling 4. Vooronderzoek
Art. 4.8.20. §1. De verweerder dient een antwoordnota, een geïnventariseerd administratief dossier en eventuele bijkomende en geïnventariseerde overtuigingsstukken in, binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na deze van de betekening, vermeld in artikel 4.8.17, §1, tweede lid.
§2. Een afschrift van de antwoordnota wordt aan de verzoeker overgemaakt door de griffier, die de verzoeker tevens van de neerlegging van het administratief dossier in kennis stelt.
De verzoeker kan een wederantwoordnota indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na deze van de betekening, vermeld in het eerste lid. De verzoeker kan aan de wederantwoordnota de geïnventariseerde overtuigingsstukken toevoegen die hij nodig acht.
Indien de verweerder verzuimd heeft om een tijdige antwoordnota in te dienen, wordt de verzoeker hiervan door de griffier in kennis gesteld, en mag hij de wederantwoordnota vervangen door een toelichtende nota.
Onderafdeling 5. Zitting
Art. 4.8.21. Na afloop van het vooronderzoek, worden de partijen uitgenodigd om op een zitting van de Raad te verschijnen. De zitting wordt georganiseerd binnen een ordetermijn van zestig dagen na de betekening van de wederantwoordnota of de toelichtende nota van de verzoeker.
De uitnodiging wordt ten laatste vijftien dagen vóór de zitting aan de partijen toegestuurd. De uitnodiging vermeldt:
| 1° |
de plaats en het tijdstip van de zitting; |
| 2° |
desgevallend de door de Raad opgeroepen deskundige; |
| 3° |
de voorwaarden waaronder de partijen eigen getuigen kunnen meebrengen. |
Art. 4.8.22. De partijen kunnen ter zitting geen bijkomende stukken overmaken aan de Raad, [...].
Art. 4.8.23. De zittingen zijn openbaar, behoudens indien het alleenzetelende raadslid of de kamervoorzitter, al dan niet op verzoek van de partijen of één ervan, oordeelt dat gewichtige redenen aanwezig zijn die zich tegen de openbaarheid verzetten.
Het beroep wordt op tegenspraak behandeld. De partijen pleiten in elkaars aanwezigheid.
Het alleenzetelende raadslid of de kamervoorzitter ondervraagt desgevallend de door de partijen meegebrachte getuigen.
Het alleenzetelende raadslid of de kamervoorzitter sluit de debatten na de pleidooien en in voorkomend geval na de wederantwoorden.
Art. 4.8.24. Bij regelmatige oproeping belet de afwezigheid van de partijen of één ervan de geldigheid van de zitting niet.
Art. 4.8.25. De griffier maakt een proces-verbaal op van de zitting.
Het proces-verbaal wordt door het alleenzetelende raadslid of de kamervoorzitter en door de griffier ondertekend.
[...]
Onderafdeling 6. Beraadslaging en uitspraak
Art. 4.8.26. §1. De Raad beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over zijn uitspraken.
De uitspraken van de Raad worden uitgebracht binnen een ordetermijn van zestig dagen, die ingaat de dag na die van de zitting.
§2. De Raad legt in zijn uitspraak het geheel van de kosten ten laste van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt. De kosten bestaan uit het rolrecht, vermeld in artikel 4.8.18, en uit het getuigengeld.
Het getuigengeld wordt begroot en toegekend op grond van de daartoe door de Vlaamse Regering bepaalde regelen.
§3. De uitspraken van de Raad worden ondertekend door het alleenzetelende raadslid of de kamervoorzitter en door de griffier.
De uitspraken van de Raad zijn openbaar.
Art. 4.8.27. De griffier zendt kosteloos een afschrift van de uitspraak aan de partijen [en aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het betrokken onroerend goed gelegen is], binnen een ordetermijn van vijftien dagen na de dagtekening ervan.
Anderen dan de partijen kunnen afschriften of uittreksels van de uitspraken van de Raad verkrijgen. Voor een afschrift of uittreksel kan een vergoeding worden gevraagd, onder de voorwaarden als bepaald door de Vlaamse Regering.
Het reglement van orde van de Raad bepaalt de rechten die verschuldigd zijn voor diensten verstrekt door de griffie van de Raad.
AFDELING 6. DIVERSE BEPALINGEN
Art. 4.8.28. De kredieten welke voor de werking van de Raad nodig zijn, worden uitgetrokken op de begroting van het departement.
Art. 4.8.29. De Vlaamse Regering kan alle aanvullende organieke maatregelen vaststellen welke ter uitvoering van dit hoofdstuk nodig zijn.
Art. 4.8.30. Onder het gezag van de Raad voorziet de website van het departement in de geanonimiseerde publicatie van de uitspraken van de Raad en van een jaarlijks verslagboek. Het verslagboek bevat onder meer een overzicht van de stand van de zaken die hangende zijn.
Art. 4.8.31. De Raad onderzoekt elk jaar in de loop van de maand september de stand van de zaken die hangende zijn en brengt hierover uiterlijk op 15 oktober verslag uit aan de Vlaamse Regering en aan de voorzitter van het Vlaams Parlement.